Vliegende schotels

Ik moet het toch maar eens eerlijk toegeven: hoewel ik graag diepzinnigheid voorwend, ben ik eigenlijk heel oppervlakkig. En ijdel. Ik vind looks namelijk erg belangrijk.

Je zult mij niet snel zonder mascara op de fiets zien stappen, ook al draag ik een zonnebril. Je weet tenslotte nooit of je die een keer af moet zetten, en – belangrijker – in wiens gezelschap je op dat moment verkeert. Ook al heb ik een training in m’n eentje gepland, je weet maar nooit. Een blotebillengezicht moeten tonen wil ik koste wat kost voorkomen.

Bij trainen op een niet-gepoetste fiets voel ik me hoogst ongemakkelijk. Een fiets hoort schoon, glimmend, snorrend over de weg te zoeven. Ik weet ook niet waarom dat ellendige idee in mijn hoofd heeft postgevat, want ik heb een enorme hekel aan mijn fiets poetsen (aan poetsen in het algemeen, overigens). Maar mijn afkeer van het rijden op een vieze fiets is nog groter (van wonen in een vies huis heb ik stukken minder last, gek genoeg). Een zegen voor het onderhoud van mijn rijwiel, maar ik kan mezelf soms wel wat aandoen als ik na een lange training weer met wonderdoekjes in mijn koude klauwen in de weer ben (echt heel gek dat ik daarna geen zin meer heb om de keuken te poetsen). Wat maken die paar spetters nou uit? Morgen wordt ‘ie weer vies.

En ook mijn burger-looks laten mij niet koud. Ik draag graag kekke jurkjes en sta erom bekend dat ik buiten altijd een modieus hoofddeksel draag. Ik zeg vaak interessantdoenerig dat dat voor mijn gezondheid is. Je verliest de meeste warmte door je hoofd. Wil je in de winter niet ziek worden, dan kun je het beste je hoofd bedekken als je naar buiten gaat. In de zomer idem dito. En in de lente en de herfst ook. Je kunt in elk seizoen ziek worden, immers, als je even niet oplet. Maar eigenlijk is mijn hoofddekselmanie een stiekeme poging tot hipheid. En het voorkomen van een coupe windhoos.

Op een zelfde ijdele manier ben ik dol op mijn hoge velgen. Twee keer 58 millimeter sjiekheid onder m’n reet: ik vind dat zo stoer. Zeker voor een meisje. Elke fietser die ik tegenkom kijkt er likkebaardend naar en ik denk alleen maar: Ha, kijk mij nou rijden met m’n vette wielen. Die heb jij niet hè? Nananananana.

Maar u weet wat het is met ijdelheid: kom je te dicht bij de zon, dan stort je als een baksteen ter aarde. Of in mijn geval: waait de wind met een snelheid van 61 kilometer per uur, dan veranderen je geliefde hoge velgen in twee vliegende schotels. Zeker met die wind hier in Spanje. Ik weet niet wat dat precies is, maar hij is heel anders dan in Nederland. Het lijkt net of de wind zich van boven op je stort. Het lijkt wel een jong katje dat een muis heeft gevangen en daar eens even mee gaat spelen. Tikje hier, tikje daar: de muis zeilt van de ene kant naar de andere kant, wordt na een paar seconden van complete rust ineens opgetild en dan weer plat gedrukt. En ik ben dan die muis, dat begrijpt u wel, op mijn hoge velgen.

In de Siberische storm van gisteren moest ik mijn fiets in elke afdaling met al mijn kracht in bedwang houden. En dan nog: als ik even met iets teveel snelheid een bocht nam en dus een beetje scheef hing, kwam de wind met zo’n kracht onder m’n fiets dat ik bijna opsteeg met die twee vliegende schotels van me. Als een schuchter muisje kroop ik de hellingen af, me verstoppend achter elke rotspunt in de hoop dat de wind me niet zag en me even met rust liet als ik er achter vandaan kwam. Maar dat deed de wind niet, o nee. Mijn armen waren na de training meer verzuurd dan mijn benen.

De hemel zij geprezen dat de stormwind vannacht is gaan liggen. De volgende keer zal ik bij dergelijke omstandigheden mijn ijdelheid toch echt aan de kant moeten schuiven en in ieder geval een voorwiel met een lagere velg steken. Wel zo veilig. Ben ik even blij dat mijn mascara weatherproof is.

Post to Twitter Post to Facebook

Pijn is fijn

Sadomasochisme (sm) is een combinatie van sadisme: plezier in het aandoen van pijn, en masochisme: plezier in het ondergaan en onderdrukken van pijn – wikipedia.

Sm wordt doorgaans met seks geassocieerd, maar welbeschouwd zijn ook wielrenners sadomasochisten pur sang. Wij houden er immers van om anderen – onze tegenstanders – liefst zoveel mogelijk pijn te doen en we beheersen als geen ander de kunst van het ondergaan en onderdrukken van pijn.

We hebben er zelfs plezier in. Want waarom zouden we onszelf anders uit eigen vrije wil helemaal naar de kloten rijden tijdens een koers? Of drie keer de Sant Grau op fietsen, in je eentje, zonder dat er iemand kijkt of je het echt wel volle bak doet? Hoewel, in dat laatste geval kijkt je coach virtueel over je schouder mee, want de uitdraai van je training moet je uiteindelijk toch inleveren. Dus smokkelen heeft geen zin.

En als je denkt dat je na een koers of na de training van de pijn verlost bent, dan heb je dat mooi mis. Je benen zijn zo verzuurd dat elke stap, elke beweging pijn doet. De masseur kan dat verhelpen, maar enkel door een – ook weer – pijnlijke massage. Dus wij vinden pijn fijn, dat moet wel. Dat zat ik vanmiddag allemaal te bedenken, terwijl ik luid hijgend en mijn rug krommend om zoveel mogelijk kracht te kunnen zetten omhoog fietste naar Sant Grau. Voor de tweede keer.

Meteen toen ik ‘m gedacht had, ontkrachtte ik mijn eigen filosofietje ook weer. Ik vond het namelijk bepaald niet lekker om daar zo hard naar boven aan het fietsen te zijn. Ik zat echt niet te genieten. Ik neem aan dat voor de meeste wielrenners hetzelfde geldt als voor mij: ik vind pijn helemaal niet fijn. Er zal vast een enkeling bij zitten het heerlijk vindt, maar ik niet. Sterker: met een splinter in m’n vinger vind ik mezelf al enorm zielig. De tandarts mag bij mij niet boren zonder verdoving. En als ik van mijn fiets val, dan vind ik het kleinste schaafplekje al ontzettend onaangenaam – ook al weet ik dat die pijn in het niet valt bij grote kwetsuren.

Het gekke met pijn, mijmerde ik al duwend en trekkend en hijgend verder, is dat je het vergeten ben zodra het voorbij is. Oké, de pijn van een koers of een zware training geeft nog wat naweeën en van een blessure of een valpartij kun je weken en zelfs maanden last hebben, maar zo gauw de pijn weg is kun je je niet meer voorstellen hoeveel pijn je had en al helemaal niet dat je die nog kon verdragen ook.

De kunst van een koers winnen is zo hard mogelijk fietsen – maar in feite is het een wedstrijd in zoveel mogelijk pijn kunnen verdragen. Wie kan het meeste afzien? Daar gaat het om. De smaak van de overwinning, op jezelf of op je concurrenten, is zoet – zoeter dan de pijn. Dat maakt het dragelijk. Maar, dacht ik terwijl ik op de top van de Sant Grau mijn windstopper dicht ritste, weinigen van ons zouden vermoedelijk nog wielrennen zonder die ene in elke mens ingebakken eigenschap: het vermogen te vergeten hoeveel pijn het deed als het eenmaal over is.

Post to Twitter Post to Facebook

Een wielrenner is geen wandelaar

Kijk aan: ik heb proefondervindelijk een nieuwe ontdekking gedaan in ‘mijn leven als wielrenner’. Lopen, dat is dus echt niet goed voor je.

Ik vond dat altijd maar onzinnig gezwets. Wat is er mis met een stukje lopen? Aanstellerij, als een wielrenner dat niet wil. Divagedrag, koketterie. Er zijn legio verhalen over wielrenners die een wandelingetje naar de bakker om de hoek al te ver vinden. Die het tuinpad niet eens af willen lopen om de krant uit de brievenbus te halen.

Met traplopen wordt zo mogelijk nog spastischer omgegaan. Nu weet ik uit ervaring dat dat niet helemaal overdreven is: een hotel zonder lift is zo’n beetje de grootste nachtmerrie na een zware koers. Je benen zijn dan zo verzuurd dat je nog liever in de lobby op de grond slaapt dan dat je je koffer vijf trappen op moet slepen. Vermoeid als je bent kun je die pijn niet meer verdragen.

Geen trap willen lopen als je gewoon in training bent, vond ik altijd nogal overdreven. Maar ook dan zijn er veel renners die nog liever vijf minuten staan te drentelen bij de lift die maar niet komt, dan de trap te nemen – wat maar een minuutje kost. Nee, traplopen is echt taboe. Enkel als je er niet aan ontkomen kan, maak je een uitzondering. En dan nog: over Michele Bartoli gaat zelfs het verhaal dat hij zich door zijn knechten de trap op liet dragen als er ergens geen lift was.

Gewoon een stelletje luilakken, die wielrenners. Allemaal. Vond ik. Tot eergisteren. Toen was ik namelijk op mijn rustdag de toerist gaan uithangen in Girona. Want hee, als je daar zo dicht in de buurt zit, dan ben je toch niet goed bij je hoofd als je niet even een bezoekje brengt aan die naar verluid schitterende stad. Ik hoor mijn vriendinnen thuis al: “Ben je níet in Girona geweest? Waarom in godsnaam niet?!”

De stad bleek inderdaad prachtig: oude gebouwen, smalle steegjes, duizelingwekkende trappen. En dat wil je dan natuurlijk allemaal even bekijken. Ook al is het je rustdag, waarop je eigenlijk met je beentjes omhoog moet. Uitrusten van de trainingsweek ervoor. Daarom heet het ook een RUSTdag, immers.

Ik merkte dat het lopen door de stad me zwaar viel. Op de trappen leek ik wel een oud besje. Hijgend als een paard sjokte ik stapje voor stapje naar boven. We moesten drie koffiestops inlassen om uit te rusten, waarbij ik telkens zat te geeuwen als een leeuw achter mijn café con leche. Maar als sporter met een goede conditie word je natuurlijk niet geacht moe te zijn van een half uurtje stadswandelen, dus we plakten er nog een half uurtje aan vast.

Dat heb ik gemerkt. Ik weet niet wat er verandert in je spieren als je wielrenner bent, maar de verandering is nogal drastisch. Ik kan gewoon niet meer wandelen en trappen op en af lopen is helemaal een drama. Want behalve dat ik helemaal niet uitgerust was van mijn rustdag – sterker, ik was doodmoe -  verga ik nu al twee dagen van de spierpijn in mijn kuiten en een loodzwaar gevoel in mijn bovenbenen, terwijl vriend J., die alom bekend staat om zijn gevoelige kuiten, nergens last van heeft. Lekker hoor, die spierpijn tijdens de trainingen – maar niet heus.

Eigenwijs sukkeltje dat ik me daar ben. Een rustdag is een rustdag en geen dag om te sightseeën, zelfs niet als er fantastische steden op steenworp afstand liggen. Dus bedankt voor alle tips over het Dali Museum, het schitterende stadje Pals en de mooie oude haventjes aan de kust; al die dingen die ik volgens u absoluut moet bezoeken op mijn rustdagen: ik ga er niet heen. Op mijn volgende rustdag ga ik gewoon uitrusten, zoals het hoort. Want mijn bezoek aan Girona en vooral de naweeën ervan hebben me er weer aan herinnerd: hoe verleidelijk ook, ik ben hier niet om de toerist uit te hangen.

Post to Twitter Post to Facebook

Niet normaal

Het is nu precies een jaar geleden dat ik stopte met werken en het is bizar hoe snel zo’n nieuwe manier van leven ‘normaal’ wordt. Ik kan me bijna niet voorstellen hoe het zou zijn om weer op een kantoor te zitten. Ik vraag me dan ook geregeld af hoe ik ooit terug moet naar een normaal leven, als ik eenmaal gestopt ben met wielrennen.

Helemaal gestopt met werken ben ik natuurlijk niet: ik schrijf nog wel eens een verhaal voor een tijdschrift of ik doe andere freelance klusjes. Maar in een kantoor, achter een bureau met een telefoon en een computer erop en met collega’s om me heen, kom ik al een jaar niet meer. Helemaal normaal was mijn baan ook niet: als journalist kom je je kantoor veel uit en werk van negen tot vijf was het nou ook niet bepaald. Maar het was wel een leven zoals de meeste mensen leiden.

Ik ben zo bang dat ik er niet genoeg van geniet. Dat de dagen voorbij gaan zonder dat ik er voldoende bij stil sta hoe bijzonder het is waar ik nu mee bezig ben. En dat iedere dag een paar uur fietsen helemaal niet hard werken is. Iedereen zegt het ook: “Wat heb jij een leven! Een beetje fietsen, een beetje gemasseerd worden, een beetje slapen…” Maar soms denk ik ook wel eens stiekem: hallo. Het is best pittig hoor, om iedere dag te trainen. Fietsen als het regent. Fietsen als je moe bent. Fietsen als je kont zeer doet. Fietsen als het koud is. Fietsen als je spierpijn hebt, of helemaal vergaat van het melkzuur in je benen. Een training overslaan doe ik nooit, daar ben ik veel te plichtsgetrouw voor. Je slaat ook niet zomaar een kantoordag over, immers. Maar ik heb echt wel eens dagen waarop ik geen zin heb.

Ik vind het zo jammer dat mijn verwondering van toen dit avontuur begon langzaam wegebt. Ik probeer het zo goed mogelijk vast te houden. Nu ik zes weken in Spanje zit – Zes weken! Stel je voor! Welk normaal mens kan zomaar zes weken naar Spanje? – vind ik helemaal dat ik van ieder moment moet genieten. Maar ik denk dat er toch iets in de mens zit dat ervoor zorgt dat je een nieuwe situatie al snel gewoon vindt, want ook hier was het leven al na een paar dagen ‘normaal’. Natuurlijk verschijnt er een brede grijns op m’n gezicht als ik opsta en zie dat de zon stralend aan de hemel staat en stemmen de voorjaarsgeuren in de lucht me buitengewoon vrolijk. Maar toch. Een mens raakt snel gewend aan verwend worden. Ik moet mezelf er bewust op attenderen, zo nu en dan: Sta hier eens even bij stil, De Vries! Dit is niet normaal, dit is heel bijzonder!

Stel je voor dat je niet beter weet, denk ik dan wel eens. Dat je al je hele leven topsporter bent en dat het volstrekt normaal is om altijd in een zonnig buitenland te trainen en de beste faciliteiten om je heen te hebben. Dat het doodgewoon is dat alles om jou en je welbevinden draait, omdat jij je goed moet voelen – want alleen zo kun je optimaal presteren. Sta je er dan nog wel eens bij stil wat voor bijzonder leven je eigenlijk leidt? Dat het niet normaal is om altijd zo in de watten gelegd te worden, dat het niet gewoon is dat je je nergens druk om hoeft te maken omdat daar ‘personeel’ voor is? Hoe moet het dan zijn als je stopt? Niet weten wat je met je tijd en je verdere leven aan moet lijkt me één ding, maar afkicken van het feit dat alle aandacht altijd naar jou uitging lijkt me eigenlijk nog moeilijker. Het is ineens niet meer van groot belang hoe je je voelt, want je hoeft niet meer te presteren. Kunnen zulke mensen ooit een gewoon leven gaan leiden, vraag ik me wel eens af, kunnen ze dat aan?

Want zelfs ik begin me af te vragen of ik ooit weer ‘normaal’ zal kunnen doen. Of ik ooit weer vroeg op kan staan om naar kantoor te gaan. Niet voor een baas, maar voor mezelf. Ik heb de bazen voorgoed vaarwel gezegd en blijf ook na mijn wielercarrière freelancen. Dat heb ik er in ieder geval van opgestoken: als eigen baas ben ik veel beter af. Dan kan ik tenminste zo nu en dan een middagdutje blijven doen of overdag een rondje fietsen als ik daar zin in heb. En ach, als ik één ding geleerd heb: elke nieuwe situatie went snel. Te snel. Tot die tijd probeer ik mezelf iedere dag even in de arm te knijpen. Ook op dagen dat mijn kont zeer doet, dat ik het koud heb en dat ik moe ben: geniet hier ook maar van, want zelfs dit is niet ‘normaal’.

Post to Twitter Post to Facebook

De broer van

Hier, in het verre, verre Catalonië huist de broer van Lord Voldemort:

Post to Twitter Post to Facebook