Mijn enige verweer: afzien en bloed proeven

En nu moet ik hier dus een stukje over sport tikken, terwijl ik het hele weekend met stomheid geslagen alle berichtgeving over het vliegtuig MH17 over me heen heb laten komen.

Een vliegtuig met driehonderd mannen, vrouwen en kinderen. Neergeschoten. Door rebellen. Die vervolgens alles van waarde wat ze tussen de verwrongen lichamen kunnen vinden, meenemen. Ze halen mobieltjes uit tassen. Oorbellen uit oren. Trouwringen van vingers. Ze verbieden de berging van de stoffelijke overschotten door internationale bergingsteams en gaan zelf met de lichamen aan de haal – om er de-hemel-weet-wat mee te doen.

Een vliegtuig met driehonderd mannen, vrouwen en kinderen. Neergeschoten. Door rebellen. Die vervolgens alles van waarde wat ze tussen de verwrongen lichamen kunnen vinden, meenemen. Ze halen mobieltjes uit tassen. Oorbellen uit oren. Trouwringen van vingers. Ze verbieden de berging van de stoffelijke overschotten door internationale bergingsteams en gaan zelf met de lichamen aan de haal – om er de-hemel-weet-wat mee te doen.

Ik kan het niet hoor. Na zo’n weekend over sport schrijven. Ik bedoel: Nibali in het geel. Mollema verliest tijd. Ja. Nou en?

Ik kijk naar…

LEES HIER VERDER

Verschenen in Trouw, 21 juli 2014

Tags:

Big in Shanghai

10330457_694558227256430_3368627198120875162_nEen week lang ben ik een ster in China. Niet alleen ik: mijn hele ploeg, het hele vrouwenpeloton is een week lang big in Shanghai. We rijden een etappekoers en een wereldbekerwedstrijd op Chongming Island, een eiland op zo’n negentig kilometer van Shanghai. En de Chinezen pakken het organiseren van een koers groots aan.

Op enorme schermen langs snelwegen vinden we onszelf terug in een vreemd soort Droste-effect: terwijl we koersen, zien we onszelf terwijl we koersen. We rijden door dorpen en door steden, we fietsen langs kanalen en door onbewoond gebied. Overal staan Chinezen langs de kant. Zelfs op plekken waar in geen velden of wegen een huis te bekennen is, duiken plukjes Chinezen op. Ze juichen niet, tenminste: bijna niet. Ze staan allemaal met hun gezicht verstopt achter hun iPhone of iPad. Foto’s maken. Niet alleen tijdens de koers. Ook ervoor. En erna. Dan willen ze er zelf ook bij op. Liefst met zoveel mogelijk tegelijk. Of je krijgt een kind in je handen gedrukt. Hier, hou die maar eens even vast, dan kunnen wij een foto maken. Natuurlijk beginnen de arme schaapjes acuut te brullen als ze door zo’n zweterige karnemelkdrinker tegen de borst worden gedrukt.

Zelfs bij de Chinese dixies ben je niet veilig. Sta je met open mond te staren naar de digitale klok boven het mobiele toilet die aangeeft hoeveel minuten en seconden degene voor jou al in het hokje vertoeft (vijf minuten en drie, vier, vijf seconden – wat dóet iemand zo lang in een dixie?!), merk je plots dat jij en je open mond alweer vijf keer op de gevoelige plaat zijn vastgelegd. Dus als je voorganger na zes minuten en veertig seconden eindelijk heeft besloten dat de broek weer omhoog kan, vlucht je zo snel mogelijk het stinkhokje in – om je een hoedje te schrikken van de stem die je in de dixie totaal onverwacht met een luid ‘ni hao’ begroet.

In die zin is de koers zelf een stuk minder enerverend. Of beter gezegd: wedstrijden rijden over vijfbaans snelwegen is bloedsaai. Om het parcours toch enig spektakel te geven, worden we twee keer over de grote brug tussen Shanghai en Chongming Island gestuurd. Door de tolpoortjes, wat met een heel peloton toch best spannend is, zeven kilometer vals plat omhoog tot de top op drieënnegentig meter, gevolgd door een even zo spectaculaire ‘afdaling’. Dan een U-turn onderaan de brug en hup, weer terug omhoog.

De Chinezen vinden dat ze met deze brug een heel bijzonder element in hun koers hebben verwerkt, blijkt tijdens de persconferentie achteraf. Met onze sprintster Kirsten Wild winnen we zowel de etappekoers op Chongming Island als de gelijknamige wereldbekerwedstrijd – en ze krijgt de meest bijzondere vragen voorgeschoteld. “Heb je wel eens eerder over een brug gefietst?” “Hoe vond je dat?” “Was je bang om eraf te vallen?” “Kun je zwemmen?” De vragen die bij de Chinese persconferentie gesteld worden zijn sowieso bijzonder. “Ben je wel eens gevallen?” “Deed dat pijn?” “Heb je toen gehuild?”

Intussen worden er ook in het open tentje waarin de persconferentie wordt gehouden eindeloos veel foto’s gemaakt. Maar als je gewonnen hebt, maakt dat niks uit. Dan kunnen er niet genoeg foto’s gemaakt worden. We poseren geduldig tussen de Chinezen, lachen naar elke camera die op onze neus geduwd wordt en maken even zoveel foto’s van de massa’s Chinezen die op onze wedstrijd zijn afgekomen.

Eenmaal terug in mijn hotelkamer overvalt de rust en de stilte me. Mijn roomie Kirsten moet nog naar de dopingcontrole. Ineens ben ik helemaal alleen, alleen met mijn overwinningsroes. Geen fotografen, geen rare persconferentievragen. Ik zet een feestmuziekje op en duw de volumeknop naar maximaal. Ook al ben ik kapot van de koers, stilzitten lukt niet. Terwijl ik mijn tenue van mijn lijf pel, begin ik te dansen. Voor ik het weet swing ik naakt door de kamer. Als ik mezelf onverwacht in de spiegel zie, schrik ik me een hoedje. Even kijk ik uit het raam, want met de Chinezen weet je het tenslotte nooit. Geen fotograaf die stiekem om het hoekje staat? Ik ben graag een ster in China, big in Shanghai – maar dan enkel vanwege onze prestaties. Tijdens de koers. En niet erna, ontkleed in mijn hotelkamer.

Verschenen in cycling.be, juni 2014

Tags:

Etappe 9: Klimmen naar de kapel

10500284_725714607474125_1257629835464876470_nLinks de bergwand. Rechts het Comomeer. We razen met vijftig kilometer per uur over de kennelijk schilderachtige weg langs het water. Geen tijd om te kijken. Concentratie in de hectiek op deze slingerweg.

De dag is zonovergoten. Dat is in oktober vaak wel anders, als onze mannelijke collega’s in de Ronde van Lombardije over deze weg koersen, richting de beklimming naar het kapelletje van de Madonna del Ghisallo. Dan liggen er herfstbladeren op de weg. De zon schijnt laag door de nevel boven het meer, of het regent. De renners veranderen in grijze schimmen, enkel oplichtend door de koplampen van de volgwagens.

Vandaag spatten de kleuren er vanaf. Alles staat in bloei, onze koerspakjes een werveling van kleuren. Ook wij slaan dadelijk af, op de rotonde in Bellagio. Omhoog gaat het dan. De mannen rijden door op de top. Voor ons ligt de finish bij de kapel. Daar eindigt deze laatste etappe van de Giro voor vrouwen. Bij de Madonna, beschermheilige van de wielrenners, worden we verlost van…

LEES HIER VERDER

Klik hier voor de Strava-file van deze etappe
Verschenen in Trouw, 14 juli 2014

Tags:

Etappe 7: Piepende remmen en stank van rubber

Giro Rosa 2014 stage - 7Wat krijg je als je honderdvijftig vrouwen dertien kilometer geneutraliseerd laat afdalen?

Misschien moet ik eerst even uitleggen wat een neutralisatie is. Niet ieder van jullie is een echte wielerkenner, immers. In de meeste koersen wordt er eerst een paar kilometer rustig gereden, achter de auto van de jury. Vaak met een tempootje van zo’n dertig kilometer per uur. Ergens langs de kant van de weg staat een bord met ’0′ en daar trekt de jurywagen hard op. De koers is dan geopend. Soms, zoals vandaag in Italië, stoppen we even bij het bord met de 0. In dit geval was dat handig, want dan kon je je jasje afgeven aan de ploegleiderswagen of nog snel even een sanitaire stop maken in het gras langs de kant.

Terug naar de neutralisatie. Meestal is ‘ie korter dan dertien kilometer. En meestal is ‘ie ook niet bergaf. Maar in Italië kan alles.

Dus dalen we met zo’n vijfendertig aan het uur, achter de jury-auto en een paar motoren die ons in het gareel moeten houden, af van ski-oord Aprica naar het dal van het riviertje Adda. Zo gauw de weg naar beneden gaat, vullen onze oren zich met het gepiep van honderden remmen en dringt de stank van schroeiende remblokken onze neuzen binnen.

Veel rensters zijn nerveus, want eenmaal in het dal gaan we meteen weer omhoog voor een klim van acht kilometer. Vooraan beginnen is aan te bevelen, dus in die opeengepakte naar beneden rijdende groep probeert iedereen ook nog eens naar voren te rijden. Wat aardig lukt als je niet remt, want je natuurlijke snelheid in deze afdaling is stukken hoger dan de jury ons toestaat. Met flink wat gefriemel en gewring als gevolg. Gelukkig stond ik al aardig vooraan bij de start, dus ik blijf redelijk uit de hectiek.

Maar ik hoor, ruik en merk het wel. HEE! Iemand komt in het gedrang. BANG! Weer een klapband. Als je aan één stuk door remt, worden je velgen heet en daardoor kan je band klappen. Ik probeer mijn remmen af en toe een beetje los te laten om dat te voorkomen, maar dat is niet eenvoudig als je maar vijfendertig mag.

Elk stukje weg achter de jurywagen is bezet, iedereen rijdt zo dicht mogelijk op elkaar om maar geen ruimte te laten en daardoor positie te verliezen. In elke bocht levert dat extra gedrang op, tenminste, in de binnenbocht. Want dan moeten er ineens meer rensters door dan erdoor passen. In de buitenbocht ontstaat juist wat extra ruimte om in te halen, met even bijtrappen en daarna extra hard remmen als gevolg.

Na nog geen zes kilometer heb ik al kramp in mijn handen. Een kilometer later merk ik dat ik mijn gekromde vingers niet meer kan strekken. Mijn benen beginnen te trillen van het gefoceerde lage tempo en de spieren in mijn armen en nek protesteren ook.

Starten met een niet-geneutraliseerde afdaling vind ik niet fijn, maar dit is ook niks.

Normaal vind ik stoppen bij de 0 ook alles behalve prettig, maar vandaag ben ik er blij mee. Niet omdat ik moet plassen of een jasje wil afgeven. Maar wel om mijnmijn gekromde vingers recht te trekken en mijn verzuurde ledematen los te schudden. En dan is de koers nog niet eens begonnen.

Foto: Cor Vos

Etappe 3: Lieflijke Abruzzen

Kilometer na kilometer laten we de vieze stinkstad achter ons. De buitenwijken van Napels zijn precies zoals je ze voorstelt: vervallen huizen, wegen vol gaten, de geur van rottend afval, krantenpagina’s die over straat fladderen, tussen onze wielen door. Kilometer na kilometer wordt het landschap groener. Steeds minder bebouwing. Steeds minder rotzooi. Tot we over lieflijke wegen rijden die door de uitlopers van de Abruzzen slingeren.

De stemming in het peloton is minder lieflijk. Vandaag finishen we voor het eerst bergop en voor we aan de slotklim komen moeten we eerst al een beklimming van een kilometer of tien bedwingen. Veel teams willen dus een renster vooruit sturen, om – als de grote namen in de finale gaan vlammen – hun kopvrouw te helpen. Dat is ook ons plan. Andere teams, die geen echte klassementsrenster hebben, willen mee in de ontsnapping, in de hoop op de dagzege.

Dat betekent een spervuur aan demarrages. Samen met twee ploeggenoten heb ik de opdracht gekregen mee te zitten in een ontsnapping, dus om beurten reageren we op alle demarrages. Het is een loodzwaar klusje in een landschap dat continu op en af gaat. Na voor mijn gevoel een eeuwigheid rijd er eindelijk een kopgroepje weg, met een ploeggenoot van mij erbij. Tijd om even op adem te komen en mijn ploeggenoten op te zoeken die om onze kopvrouw heen zwermen.

Lang uitblazen kan ik niet, want de eerste beklimming komt eraan. Dat betekent: onze kopvrouw naar voren brengen en vooraan houden, zodat ze zo min mogelijk energie verspilt. Ik ga er zelf een beetje vanuit dat ik de klim niet zal overleven na al het werk dat ik al gedaan heb. Maar als de weg eenmaal omhoog begint te lopen, merk ik dat het niet zo steil is en dat ik het tempo aardig aan kan. Niet teveel nadenken. Gewoon volgen, hou ik mezelf voor.

Mijn ploeggenoten zakken er een voor een doorheen. Nu is het nog belangrijker dat ik erbij blijf, zodat onze kopvrouw dalijk nog iemand heeft om haar te helpen. Maar ook ik zak langzaam naar achteren. Op het moment dat ik echt moet lossen, rijden we een bocht door en zie ik een bordje: GPM 100m. We zijn er! Ik zet nog even aan en zeil onder de boog van de bergsprint door. Gered!

Eenmaal in het dal zoek ik onze kopvrouw en mijn andere ploeggenoot die de beklimming ook heeft overleefd op. We overleggen dat ik snel bidonnen haal. Het is ruim boven de dertig graden, dus drinken is essentieel. Met een shirt vol flessen rij ik weer naar mijn ploeggenoten toe. Daarna zet ik me op kop, want het gat met de kopgroep is nog groot en het is niet de bedoeling dat de rensters in dat groepje zo ver weg rijden dat ze het algemeen klassement overhoop gooien.

Mijn krachten zijn wel zo’n beetje op nu, merk ik. Rensters van andere ploegen komen helpen. Het gaat weer heuvelop. Op kop wordt versneld en ik verlies het wiel voor me meter voor meter. “Ga me voorbij! Snel!” kan ik nog naar mijn twee ploeggenoten roepen. Ze halen me in en dan los ik.

De ploegleider komt langszij, steekt z’n duim op en geeft me een cola. “Rustig aan naar boven hè”, roept hij nog voor hij het gaspedaal indrukt en achter de groep aan stuift. Ik drink mijn cola, geniet van het uitzicht op de majestueuze Abruzzen en hoop dat ik morgen weer zo’n dag heb.

Klik hier voor de Strava-file van deze rit.
Foto: Velofocus