Het roze vogeltje

crashtruitjeOké, mijn lijf was beurs , maar eigenlijk voelde ik me gisteren nog aardig goed tijdens de tweede – epische – etappe van de Tour de Languedoc. Een etappe waarin we ruim 3000 hoogtemeters (Strava liegt hoor, met z’n 4000 meter) moesten overwinnen, tegen de wind in. Als ze u ooit vertellen dat het in de bergen niet waait: geloof het niet. Het waaide keihard.

De echte terugslag van de crash tegen de auto heb ik vandaag, blijkt. Man, wat voel ik me slecht. Maar dit is de etappe waarin de rensters die niet meer meedoen voor het klassement, zoals ik, proberen een ontsnapping op te zetten. En daar wil ik toch wel aan meedoen. Dus ik zet me over mijn lamlendigheid heen en speel het spel van demarreren en teruggepakt worden volop mee. Het peloton is nerveus. Het waait hard, de weggetjes zijn smal en het gaat continu op en af.

Na de zoveelste demarrage kan ik niet meer, ik laat me even uitzakken naar de buik van het peloton en natuurlijk, zul je altijd zien, rijdt er precies op dat moment een groepje weg. Mopperend manoeuvreer ik weer naar voren, misschien willen er een paar rensters oversteken naar het kopgroepje en kan ik mee. Crash rechts van me. Ik moet in de remmen, uit m’n pedaal en daarna in de achtervolging om terug te komen bij het voorste plukje peloton. Het gaat moeizaam. Ik heb echt weinig energie vandaag.

Eenmaal aangesloten zie ik op het krijtbord van de motard dat het gat naar de kopgroep 45 seconden is. Er zit niemand van onze ploeg bij. Als ik nog wil oversteken – en ik weet dat het moet, want we hadden nu eenmaal afgesproken dat er altijd iemand van ons in de ontsnapping zou zitten – moet het nu. Ik wacht tot we een klein heuveltje over zijn en demarreer. Vanuit mijn ooghoek zie ik een renster van een andere ploeg die de slag gemist heeft volgen. Ze haalt me in, ik zet me zwaar hijgend in haar wiel en samen vliegen we in bloedvaart een bruggetje over.

Bocht naar links. Scherpe bocht naar links! De renster voor me ziet ‘m te laat. Ik, vertrouwend op haar en me verschuilend achter haar rug, zie de bocht pas als het mis gaat, de renster veel te laat en te hard remt en ik nog later reageer. Mijn achterwiel glijdt onder me weg.

Een moment van stilte, heerlijke stilte waarin ik aangenaam wegzak met alleen het geluid van een vogeltje dat zingt. Een roze vogeltje.

Dan mijn ploegleider Dany en de rondearts die me overeind proberen te helpen. Misselijk. God wat ben ik misselijk. Opstaan gaat niet, ik dreig iedere keer weer terug te zakken in het zwarte. Dat Dany zegt dat ik maar beter niet meer kan opstappen, registreer ik nauwelijks. Hij haalt mijn helm van m’n hoofd. Helemaal kapot, hoor ik hem constateren. Iemand trekt mijn rugnummer van mijn rug, geloof ik. Handen houden me vast, ja hou me alsjeblieft vast, anders val ik om, zien jullie dan niet dat ik niet zelf kan staan. Ze helpen me naar de ambulance.

Ik word onderzocht en intussen word ik langzaam weer helder. Ik speur m’n ledematen af maar zie nergens schaafwonden. O wacht, m’n rechterbil doet pijn. Dan zal ik daar wel op gevallen zijn. Even later stoppen we. De deuren van de ambulance gaan open en ik zie een bloedende renster in het gras liggen. De rondearts wenkt me, ik moet opstaan. Hij dirigeert me naar de bezemwagen. De andere renster krijgt mijn plaats in de ambulance. Eindeloos langzaam hobbelend achter de koers aan, met een bil die steeds meer pijn gaat doen maar waar ik wel op moet blijven zitten, bereik ik de finish.

Je zat gewoon rechtop op de weg, vertellen mijn ploeggenoten die vlak na mijn crash in het peloton voorbij kwamen. Je keek naar ons. Daarom dachten we dat je wel oké was. Ik heb zelfs nog gevraagd of het ging, voegt een van mijn ploeggenoten eraan toe. Echt? Ik kan het bijna niet geloven. Ik kan me daar helemaal niets van herinneren. Je wist niet meer wie je was toen ik bij je kwam, vult Dany aan. Was je al lang bij me toen jullie me overeind probeerden te helpen, vraag ik hem. Ja, al even. Je had geen idee welke dag van de week het was of waar je was.

Ik slik als ik me realiseer dat ik een stuk geheugen mis. Zeker vijf minuten. Onvoorstelbaar. Dany laat m’n helm zien. Helemaal doormidden. Ik slik nog een keer. Ik zou niet moeten klagen over deze pechweek, met twee crashes in drie dagen. Nee. Ik heb juist ontzettend veel geluk gehad.

——————————————

‘s Avonds is er in het ziekenhuis van Carcassonne voor alle zekerheid een hersenscan gemaakt. De uitslag was goed: geen beschadigingen. Een lichte hersenschudding heb ik wel, maar na twee dagen slapen merk ik daar al weinig meer van. Mijn lijf is rondom beurs, met de verwondingen die ik al had en de nieuwe erbij. Dat is eigenlijk het vervelendste. Maar ik herstel snel, merk ik. In vorm zijn heeft zo z’n voordelen, niet alleen in koers, maar ook erbuiten. De andere renster is overigens overeind gebleven.

De achtste renster

Na een schandalig valse start in de Tour de Languedoc, zo slechts zelfs dat wij rensters uit protest niet van start gegaan zijn toen het startschot klonk en waarover je hier alles hoort, bleek de organisator zich toen het puntje bij paaltje kwam toch aan alle afspraken gehouden te hebben. Er staan 48 gendarmes voor ons klaar, er is geen kruispunt onbewaakt en na de eerste nachten in een mottige stacaravan met muizenkeutels, stinkdekens en slecht eten zijn we in betere accommodaties met dito voedsel terecht gekomen.

ElleboogtattooTijdens de eerste etappe, die eigenlijk de tweede was omdat de eerste etappe geschrapt was, reed ik telkens met mijn kin op mijn frame rond. Zo mooi. De Fransen hebben wederom weer een bijzonder slechte beurt gemaakt, maar god, wat wonen ze in een prachtig land. Vergezichten met besneeuwde Pyreneeën, velden vol klaprozen en korenbloemen, pittoreske dorpjes; Frankrijk zoals je Frankrijk alleen maar in de film ziet. En daar fietsen wij doorheen, over door de gendarmes leeg geveegde wegen met prachtig strak asfalt onder de wielen.

Na het laatste klimmetje denderen we de vlakte in, richting Middellandse Zee. De wind waait verschroeiend hard, buldert in onze oren, rukt aan onze truitjes. Het hele peloton is nog bij elkaar want het was geen zwarte rit tot nu toe, maar zo gauw we een bocht omdraaien, spat het hele peloton uit elkaar. Ik bevind me in de kopgroep, tot – KGGRRRRRR – de Russische voor me met haar derailleur drie spaken uit mijn voorwiel maait. Ik blijf overeind, maar sta wel meteen stil. Steek m’n hand omhoog – om de jury te waarschuwen dat ik pech heb, zodat die mijn ploegleider kan laten weten dat hij zo snel mogelijk naar me toe moet komen.

Ik kijk om. Overal plukjes rensters over de lange rechte weg. En heel in de verte de volgwagens. Shit. Een voor een komen de plukjes voorbij. Waar blijft nou mijn ploegleider? Ik wacht en wacht, met mijn voorwiel inmiddels in mijn hand in de lucht. Als ze nu nog niet zien wat er aan de hand is… Eindelijk komt de ploegleider langszij. “Ze waarschuwden ons niet!”, roept de mechanieker, die snel een nieuw wiel in mijn fiets zet en me er vandoor duwt. Met de tong op de schoenen achtervolg ik net zo lang tot ik weer terug ben in het peloton, dat inmiddels – gelukkig – is stilgevallen omdat we wind op kop hebben gekregen.

Ik ben zo nijdig dat ik zo gauw ik een geschikt moment zie mijn kont licht en demarreer. En als ik weer teruggepakt ben nog een keer. En nog een keer. Tot in de laatste kilometers de snelheid zo hoog is dat demarreren niet meer lukt. Normaal ben ik een angsthaas in de hectiek van de massasprint, maar de uit m’n wiel gereden spaken hebben me kennelijk net die extra adrenaline gegeven om me ditmaal prima van voren te handhaven. Rotonde, laatste bocht, sprint van vijfhonderd meter tot de finish, weet ik uit het routeboek.

Daar komt de laatste bocht. Wat wij niet zien, maar u op televisie wel als er een helikopter boven het peloton zou hangen, is dat er in de finishstraat auto’s geparkeerd staan. Doodnormaal in het vrouwenwielrennen, dat komt overal voor, maar het levert wel vaak gevaarlijke situaties op. Helemaal in de laatste honderden meters en zéker als er meteen in bocht een auto staat. Dus precies wat u dan op televisie al ziet aankomen, gebeurt.

De eerste zeven rensters zeilen de bocht nog ongehavend door, paniekerig uitwijkend voor die plotseling opdoemende auto, maar de achtste renster wordt aangetikt door het weg zwiepende wiel voor haar en kwakt op volle snelheid tegen de auto. Die achtste renster ben ik. De negende en tiende renster knallen over mij heen. De rensters daarachter weten het vege lijf te redden, gealarmeerd door de herrie van piepende remmen, knappend carbon en schrapen van metaal langs metaal.

Ik lig helemaal tegen de auto aan gevouwen, een fiets die niet van mij is tegen me aan, de ketting om m’n elleboog gewikkeld. Het eerste wat ik denk is: KUT! KUT KUT! DAAR GAAT M’N TOPKLASSERING! Ik krabbel overeind, grabbel naar m’n fiets en help de renster die over me heen gevallen is. De ploegleider komt langszij en de mechanieker vervangt m’n dubbelgevouwen achterwiel. Ik wil weer opstappen maar zie dat mijn stuur helemaal doormidden is. Reservefiets van het dak, hoofdschuddend naar de finish peddelen en intussen constateren dat de lichamelijke schade meevalt. Veel anders zit er niet op.

Al snel blijkt dat de klap harder was dan ik aanvankelijk dacht. Mijn elleboog zwelt op tot een meloen, een paar ribben beginnen op te spelen en ik heb over m’n hele achterkant blauwe plekken en schrammen. Dat wordt me een nachtje. Om nog maar te zwijgen van de dag erop. Maar hey, dat is wielrennen, is ons mantra. We likken onze wonden en gaan grijnzend verder.

(Maar het blijft kut van die topklassering. Kut.)

Klungel

helmIk ben zo’n klungel. Niet op de fiets. Nee, ik weet mezelf prima te blesseren als ik niet op de fiets zit. In drie dagen tijd liep ik liefst twee blauwe scheenbenen en een waanzinnig ei op m’n voorhoofd op. Charming.

Vorig weekend pakte ik na de koers mijn tas. Op m’n wielerschoenen, met van die gladde plaatjes eronder, balanceerde ik in de ingang van de bus. Toen ik mijn tas greep verloor ik mijn evenwicht en – KLENG! – ik gleed uit de bus – BENG! – met beide scheenbenen keihard tegen de rand van de bus aan. De tranen sprongen in mijn ogen, ik voelde direct twee bulten op mijn benen zwellen. Met een rood hoofd riep ik tegen de bezorgd toegesnelde omstanders dat er niks aan de hand was, echt niet, en het deed ook helemáál geen pijn hoor.

Deze week liep even die leuke schoenenwinkel binnen, paste een paar, vond ze toch te duur en drentelde weer richting uitgang tot ik – KLABATS! – knoerthard met m’n voorhoofd tegen de glazen deur van de winkel liep. Tegen het randje, welteverstaan. Ik kon wel door de grond zakken van schaamte en rende dizzy de winkel uit terwijl ik bijna flauwviel van de pijn.

Voorzichtig voelde ik aan m’n voorhoofd en constateerde dat er van kruin tot neus een gigantisch ei groeide. Ik strompelde naar de fietsenwinkel van vrienden, die direct een ijskoud blikje sinas uit de koeling trokken. Daar lag ik, languit op een bank de sinas over mijn voorhoofd te rollen, inwendig smekend dat de buil zou verdwijnen en – alsjeblieft! – niet blauw zou worden. Ik zag mezelf al lopen.

U begrijpt: ik zie er momenteel fantastisch uit. Mijn benen hebben een mooie groengele tint. Het ei op m’n voorhoofd is goed zichtbaar, maar gelukkig behoorlijk geplet door mijn fietshelm – die deze klungel voortaan beter ook in het dagelijks draagt.

Verschenen in De Stentor, zaterdag 11 mei 2013

Tags:

Geluksvogel in Girona

girona uitzicht ramblasIn mijn vriesvak tref ik een fles Beluga wodka van 50 euro aan. In de koelkast staat een fijne Parxet Cuvée en de fles rood op het aanrecht is ook niet misselijk. Ik heb drie slaapkamers, twee badkamers en een grote woonkamer tot mijn beschikking. Op de hippe tafeltjes liggen Esquires en exemplaren van Rouleur.

Mijn buurman is even weg, naar de Giro, om zijn roze trui te verdedigen. Mijn balkon hangt, net als het zijne, boven de Rambla. En, klapt op de vuurpijl: de lift komt met zo’n speciaal sleuteltje uit in mijn woonkamer. Ja, IN mijn woonkamer.

Een triple A-locatie, met dito inrichting en accessoires, van een rijke Amerikaan die er niet is. Dit is de plek waar ik deze week terecht ben gekomen in Girona. Ik kan het bijna niet geloven. Mag ik hier tien dagen zitten? Of ben ik per ongeluk in de realityshow The fabulous life of… terecht gekomen?

girona klaprozenveldMaar wacht, denk ik. Zo leven de topprofs dus continu. Als ze niet in hotels zitten. Die hebben altijd zo’n fabulous life. Tien dagen leven als een topprof, dat heb ik nou altijd al eens willen meemaken.

‘s Ochtends gooi ik de balkondeuren open, geniet van het uitzicht op de prachtige huizen langs de rivier en daarboven, in de verte, het topje van Rocacorba. Tijdens het ontbijten probeer ik geen vlekken te maken op het sjieke glazen tafelblad. Daarna schuif ik grinnikend mijn fiets de lift in en train tussen de velden met klaprozen en de stralend groene heuvels. Ik was hier nooit eerder in dit jaargetijde; wat is de Costa Brava schitterend in de lente.

Op de loungebank kijk ik naar de finale van de Giro (ik moet m’n buurman toch een beetje in de gaten houden) en af en toe doe ik de vriezer open om te zien of de Beluga er nog ligt – ik ga ‘m echt niet opdrinken hoor -, maak breed grijnzend wandelingetjes over de zwoele Rambla en realiseer me wat een geluksvogel ik toch ben.

Ploegleider in je oor

Ronde van Drenthe SportfotoRegen. Modder. Windkracht vier. Eén graad boven nul. Mijn hartslag is hoog, mijn ademhaling snel. Om me heen: gespetter, gekletter van fietsen en kettingen. Gehijg. Gedrang. Het peloton is nog maar klein. De talloze valpartijen en de gladde keien in de Drentse bossen hebben hun tol geëist. Nog twee keer de VAM-berg – een ordinaire vuilnisbelt die ze in Nederland ‘berg’ durven noemen – over en dan gaan we de laatste kilometers in, richting de finish in Hoogeveen.

“Komaan Marijn, het gaat goed. Je zit erbij. Je kunt het. Schuif naar voren hè. Nog vijf kilometer tot de VAM”, klinkt de rustige stem van ploegleider Dany in mijn oor. Ik weet zijn ogen in de warme auto achter ons op me gericht. Hij klinkt als een baken van rust in de barre omstandigheden om me heen.

Ze noemen de Ronde van Drenthe ook wel de Hel van het Noorden. Of Parijs-Roubaix voor vrouwen. Vandaag is de ultieme uitvoering. Nog nooit fietste ik door zoveel modder. Nog nooit was de lucht zo loodgrijs. Sneeuw dreigt. IJzel. Rensters worden onderkoeld afgevoerd. Geen draad aan mijn lijf is nog droog. Ik heb zand in mijn mond en tussen mijn billen en in mijn ogen. Maar ik voel het nauwelijks. Ik heb het niet koud. Ik heb de keien overleefd, ik zit er nog bij.

“Allee Marijn. Je zit erbij hè. We gaan een mooie finale rijden. Je bent sterk. Je kunt het.”

Wij vrouwen rijden bijna nooit met oortjes. Alleen in wereldbekerwedstrijden en daar hebben we er per seizoen een stuk of zes van. In mijn korte wielercarrière heb ik maar een handvol wereldbekerkoersen gereden en nog nooit zat ik in een positie dat de ploegleider ook echt wat nuttigs tegen me kon zeggen. Ik was altijd benieuwd wat je dan zou horen door zo’n oortje.

“Zorg ervoor dat je vooraan zit. Het gaat goed hè. Draai als eerste de VAM op! Je kunt het.”

Nee. Echt nuttig is het niet. Dat ik voorin moet rijden en vooraan de VAM-berg moet opdraaien bij de laatste beklimming, kan ik zelf ook wel verzinnen. Ik heb op een tapeje op mijn bovenbuis genoteerd op hoeveel kilometer de keienstroken en beklimmingen beginnen. Dany’s informatie heb ik niet nodig.

Maar het is fijn. Het is zo fijn om in de hectiek om me heen, in de kou en de ellende, tussen de valpartijen en het gekletter van fietsen door, de rustige stem van Dany in mijn oor te horen. De stem waar vertrouwen uit klinkt. En warmte, een beetje warmte uit de wagen. De stem die me naar de finish toepraat. Niet opgewonden, zoals sommige ploegleiders. Niet zenuwachtig of gestresst. Niet bevelend. Maar rustig. Zoals een vader zijn zenuwachtige kind op de eerste schooldag toespreekt: vol vertrouwen en bemoedigend.

“Als eerste de VAM op. Komaan! Je kan het!”

Ik schuif nog een paar plaatsen op voor we de derde keer de haakse bocht omhoog nemen. Hier gaat het gebeuren, iedereen weet het. Annemiek van Vleuten schiet naar voren, Marianne Vos pakt haar wiel en wordt gelanceerd. Ik zit er een paar plekken achter. Vos is onnavolgbaar. Ze vliegt omhoog. Mijn benen krampen, mijn adem giert, maar ik schakel niet terug. Dit is het moment. Nu moet ik alles geven. Ik trek door tot boven.

Dany’s stem hoor ik even niet meer. Vanuit zijn wagen kan hij nu niet zien wat er gebeurt. Een paar tellen lang voel ik me eenzaam, daar bovenop die bult afval, met het desolate uitzicht van de verbrandingsoven voor me, de grijze lucht, het glanzende asfalt en het zompige gras ernaast. Ik raas naar beneden zo hard ik durf op de natte weg en kom nadat we het terrein van de Drentse vuilverwerker afgedraaid zijn in een achtervolgend groepje van zes terecht. Daar hoor ik Dany’s stem weer.

“Je kan het. Probeer nog wat in de laatste kilometers. Je rijdt voor een vierde plaats nu. Je doet het fantastisch.”

En als het niet lukt, ook niet erg. Dat zegt Dany niet, maar ik hoor het in zijn stem. Het is het laatste wat hij tegen me zegt voor de volgwagens van het parcours worden afgeleid. Ik doe twee keer een lafhartige poging die niet eens op een demarrage lijkt. Mijn natte, door en door koude benen kunnen niet meer. Als achtste bol ik over de finish. Een na laatste in de sprint van dit groepje. Al heb ik zijn stem al een tijdje niet meer gehoord, ik weet dat Dany niet teleurgesteld zal zijn.

Verschenen in cycling.be, april 2013
Foto: sportfoto.nl

Tags: