Trots op winnende Natalie die ooit een man was

11057213_10205651858528542_2187241699171721704_oMijn ploeggenoot won zaterdag haar eerste internationale koers. We waren euforisch; onze eerste grote zege van het seizoen, en dan ook nog voor de ploeggenoot die we het ‘t meest gunden. Omdat ze altijd zo hard werkt voor ons. Zichzelf totaal wegcijfert als het moet. Haar eigen kansen laat schieten als het nodig is.

En toen kopten het AD en de Belgische krant Het Laatste Nieuws: ‘Trofee Wynants prooi voor transseksueel Van Gogh’. De reacties onder het artikel hoefde je niet eens te lezen om de inhoud te weten. Oneerlijk! Belachelijk! Competitievervalsing! Dit hoort niet thuis in de vrouwensport!

Ik herinner me de koers waarin ik Natalie voor het eerst zag nog goed. We waren al heel wat kilometers op weg voor het me opviel. Natalie riep iets tegen een van haar ploeggenoten. Wat een zware stem kwam er uit die vrouw! Ik keek nog eens goed. Ja, die stem hoorde bij de renster met de grote bos krullen.

Natalie deed al wat jaren langer mee dan ik. Het nieuwtje was er wel af, maar geroddeld werd er nog steeds. Grote koersen won ze nooit, maar af en toe pakte Natalie een podiumplaats in een kleine koers. Dan telde haar uitslag niet, vonden sommigen, want ze was toch maar ‘die vent’.

Ik vroeg me met verbazing af waarom ze het eigenlijk wilde: sporten op het hoogste niveau, met haar levensverhaal. Want er werd nogal wat stront over haar uitgestort. Achter haar rug om. Maar een mens is blind noch doof. Geboren worden in het verkeerde lichaam lijkt me al een enorme beproeving. Hoe bestaat het dat iemand dat doorstaat en daarna ook nog…

LEES HIER VERDER (blendle)
(Of hier gratis)

Verschenen in Trouw, 18 mei 2014
Foto: Geert Nachtergaele

Tags:

Een heel klein bolletje, doodstil op de weg

Soms zou ik wel eens in het hoofd van een dier willen kruipen. In dit geval in het koppie van de moedereend die zaterdag besloot samen met haar drie pulletjes de weg over te steken waar wij net koers hadden.

Parmantig stapt ze vanuit de berm het asfalt op, precies op het moment dat de twee koploopsters in de wedstrijd komen aanstormen. De rensters wijken uit, de moedereend stokt, maar stapt toch weer door als de wielrensters voorbij zijn. Ze realiseert zich niet dat er nog een heel peloton aankomt – tenminste, dat denk ik, want ze is een eend. Ze ziet het gevaar een stukje verderop ook niet, want daar is ze te klein voor. Of het koolzaad te hoog.

11260942_925337330872433_8119097426719645220_n

11114095_925337350872431_6996813696220495150_n

De drie pulletjes dabberen dapper achter haar aan. Een zee van asfalt voor zich, het veilige gras van de berm aan de overzijde nog ver weg.

Plots horen ze een geluid. Of ze zien beweging. In ieder geval: ze bespeuren gevaar. Zeg maar hoe zoiets bij eenden gaat. Op dat moment hebben de moedereend en twee van haar kleintjes de overkant bereikt.

De derde duikt, instinctief, in elkaar. Een heel klein bolletje, doodstil midden op de weg, met het vliegende peloton op nog geen meter…

LEES HIER VERDER (blendle)

Verschenen in Trouw, 11 mei 2015
Foto’s: Rob Steunenberg

Tags:

Zwolle kruipt in je hart

10997372_840006259378292_2666752797267000762_nHet is zondag 3 mei, even na zessen ‘s avonds. Het is doodstil in Holtenbroek. Ik zit op het bankje voor de Jumbo, dat normaal gesproken altijd bezet is. Maar nu is er geen mens te zien, het pleintje is uitgestorven. Ook de snackbar op de hoek is leeg. Alle parkeerplaatsen voor de Primera zijn vrij.

Zonder enige vorm van waarschuwing wordt de stilte opengereten door een oorverdovend gejuich, uit vele onzichtbare kelen, van alle kanten.

Morgen wil ik opnieuw ervaren wat ik vorig jaar per ongeluk meemaakte. Daarom ga ik buiten zitten. En wachten, tot we scoren. Want euforisch gejuich uit alle hoeken van de wijk horen, is vele malen mooier dan het doelpunt op televisie zien.

Vorig jaar stapte ik tijdens de bekerfinale als één brok chagrijn op de Bachlaan uit lijn 2. Mijn grote tas rolde op zijn kop de bus uit, scheldend trok ik het ding recht, op z’n wieltjes, en begon aan de wandeling van tweehonderd meter naar mijn voordeur.

Mijn inwendig gemopper op de slechte koers die ik die dag gereden had verzwakte na een paar stappen, omdat ik merkte dat er iets niet normaal was. Zo stil was het op straat. Precies op dat moment werd de stilte aan flarden gescheurd door een gejuich dat zijn weerga niet kende.

Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan; hoe had ik zo druk met mezelf kunnen zijn dat ik vergeten was dat PEC tegen Ajax speelde? Rennend, en rukkend en trekkend aan mijn onhandige tas struikelde ik mijn appartement binnen, om de tv aan te zetten.

Het scherm lichtte op. Wat stond daar nou, stond daar echt 5-1 in beeld? Voor PEC?! Verbijsterd zakte ik op de bank neer. Ik pakte mijn telefoon, opende twitter en scrollde door alles wat ik, bezig met mezelf als ik was, gemist had. Ik keek weer naar het scherm en geloofde gewoon niet wat ik zag.

De scheids floot af, volwassen mannen in blauwwit huilden op de tribune, Ron Jans klapte bijna uit elkaar van blijdschap, door de openstaande balkondeur hoorde ik de buurt joelen, zelf stond ik te springen in de woonkamer – tot ik tegen het plafond vloog van BAAAAAM!

Mijn achterburen staken dansend op het dak van de Jumbo vuurwerkbommen af van het kaliber waarmee het leger op de Veluwe oefent. Steeds meer mensen kwamen naar buiten, Holtenbroek kleurde blauwwit zoals het de dagen daarvoor ook continu blauwwit zag.

Mijn chagrijn was meteen vergeten. Ik feliciteerde de buurman die een biertje open plopte en voelde me trots. Trots op de stad waarin ik woon, trots op de mensen in mijn wijk die ongeacht afkomst of sociale status samen de overwinning vierden.

Al ben ik geen geboren Zwolse, de club van Ron Jans is de afgelopen jaren ook bij mij in het hart gekropen. Dat is wat PEC met je doet.

Dus hup Zwolle, cluppie van ons. Ik zit morgen op het bankje in het winkelcentrum te wachten tot Holtenbroek ontploft, tot blij gejuich me overspoelt en ik een dansje kan doen op het dak van de Jumbo. Pak ze, nog een keer!

Verschenen in De Stentor, 2 mei 2015

Tags:

Kattenkoppen

159712660.pczuCsha.sized_CO1H4941Of koersende vrouwen niet ontzettende kattenkoppen op de fiets zijn. Die vraag hoor ik regelmatig. Vrouwen zijn allemaal konkelende slangen, in meer of mindere mate, denken de meeste mannen.

Ik moet u wellicht tot uw teleurstelling bekennen dat wij elkaar niet krabben of aan de haren trekken op de fiets. Tenminste, dat heb ik nooit meegemaakt. Schelden doen wij wel. Maar dat doen onze mannelijke collega’s ook. Niks bijzonders als er op het scherpst van de snede gestreden wordt. Een tik of al te ferme kwak wordt ook bij ons geregeld uitgedeeld. Vaker misschien wel dan in het mannenpeloton, waar elke beweging – en dus ook elke overtreding – door de camera geregistreerd wordt.

Maar verder is mijn ervaring dat het typische vrouwengekat op het hoogste niveau in het vrouwenwielrennen nauwelijks voorkomt. Als er gescholden wordt, dan worden daar na de finish excuses voor gemaakt. Je komt elkaar de week of soms zelfs de dag erop weer tegen. Dikke kans dat je ooit eens ploeggenoten wordt. Dan kun je beter een goede relatie met je concullega’s onderhouden. Zo professioneel zijn we wel.

Professioneel, ja. Dat zijn we voor mijn gevoel ieder jaar een beetje meer, als vrouwenpeloton. Het niveau schiet omhoog, evenals de kwaliteit van de materialen en de grootste ploegen hebben inmiddels zelfs bussen tot hun beschikking. Daar tegenover staan de kleinere ploegen, die het vaak moeten doen met campingstoeltjes op straat. De verschillen zijn nog groot.

Daarom verbaasden, zo niet schokten de reacties op het in maart uitgekomen CIRC-rapport me des te meer. Nee, ik doel niet op de opnieuw opgelaaide discussie over doping. Ik bedoel de reacties op de handvol uitspraken over het vrouwenwielrennen.

Ik parafraseer nu wielerschrijfster Mariska Tjoelker, die het voor de website Het is koers! veel beter onder woorden bracht dan ik nu zou kunnen:

“Op pagina 70 vertelt de Cycling Independent Reform Commission dat haar ter ore is gekomen dat het vrouwenwielrennen de afgelopen jaren op bar weinig ondersteuning kon rekenen. Dat zal geen wenkbrauwen doen fronsen.

Maar dan.

De commissie schrijft verhalen te hebben gehoord over rensters die financieel werden uitgebuit. En – naar verluidt – seksueel. Seksueel en uitgebuit. Twee woorden die je niet in één zin tegen wilt komen.

De commissie gaat nog even door trouwens, over dat vrouwenwielrennen. Over dat er managers afkomstig uit het mannenwielrennen in rondlopen – of liepen. Op zich geen probleem, denkt u dan. Tot u het vervolg van de zin leest: mannen die niet voldoende kwaliteit hadden voor een functie in het mannenwielrennen.

Nog meer?

Nou, vooruit dan.

De overduidelijke mogelijkheden die het vrouwenwielrennen heeft, werden in de kiem gesmoord door een door mannen gedomineerde sport die het potentieel van het vrouwenwielrennen niet doorzag.

Iedere zin die het CIRC-rapport aan het vrouwenwielrennen besteedt, ademt ongelijkheid. En of het dan inderdaad gaat om seks in ruil voor een plek in een ploeg of in de selectie van een wedstrijd – of om ordinair misbruik, gewoon omdat de gelegenheid zich voordoet, dat maakt dan eigenlijk niks meer uit. Wat wel uitmaakt, is de macht en de soms wagelijke oneerlijkheid aarvan. Wat wel uitmaakt, is dat niemand het erover heeft. Niemand.”

Precies dát is wat me zo schokte. Want ook na publicatie van het rapport, had op Mariska Tjoelker na niemand het hierover. De discussie ging voor de triljoenste keer over doping, maar NIEMAND had het over de conclusies die de commissie met betrekking tot het vrouwenwielrennen trok.

Niemand vroeg aan mij of ik me in het verhaal van de commissie herkende, geen enkele vrouwelijke collega werd geïnterviewd, nul andere columnisten schreven er een verhaal over.

Misschien maak ik hier een miscalculatie hoor, en is doping gewoon een kwestie van veel groter belang dan seksueel misbruik en schrijnende ongelijkheid.

Mocht het u interesseren: ja, ik ken managers in het vrouwenwielrennen die ons te min vinden. Alleen maar met ons optrekken omdat ze het als opstapje naar het mannenwielrennen zien, of omdat ze er veel geld mee verdienen. Nee, ik heb zelf geen seksueel misbruik meegemaakt – maar ik ken de verhalen en geruchten wel.

Al is het maar een handvol uitspraken, ik ben ontzettend blij dat de Cycling Independent Reform Commission aandacht aan dit onderwerp heeft besteed. Want het is een onderwerp waarover vrouwen moeilijk praten, uit schaamte, uit gekwetstheid. Maar zolang we hier niet over praten, zullen we in professionalisering achterblijven. En dat ligt niet aan ons. Dat ligt aan de hierboven beschreven ‘managers’.

Of wielrensters schelden wilde u weten? Jazeker. Nu: flikker op uit onze sport, stelletje ongelooflijke eikels. We kunnen jullie missen als kiespijn. ROT OP.

Verschenen in cycling.be, april 2015
Foto: Krist Vanmelle

Tags:

Winnen voor een jochie dat het team écht raakte

Rasmus Lindgren had gisteravond een gelukspoppetje in zijn zak. De middenvelder van FC Groningen draagt het poppetje al maanden bij zich. Het is een aandenken aan de belofte die hij en zijn ploeggenoten in oktober deden, aan een jongen van elf die niet lang meer zou leven. Voor hem zouden ze de beker pakken.

Ik las het verhaal over de zieke Dinand uit Loppersum vrijdag, in het Dagblad van het Noorden. Al jaren woon ik tot groot genoegen in Zwolle. Mijn hart is inmiddels hartstikke blauw-wit en voor mij was er geen andere optie dan dat de ploeg van Ron Jans de beker nog een keer mee naar huis zou nemen.

Maar ineens begon ik te twijfelen. Dinand was tien toen hij vreselijke hoofdpijn kreeg, las ik in de krant. Paracetamolletjes hielpen niet. In het ziekenhuis bleek hij een tumor van zes bij vier centimeter in zijn hoofd te hebben.

Hij sloeg zich er stoer doorheen, vertelt zijn moeder. Huilen deed hij maar twee keer. Toen zijn blonde kuif verdween, door de chemo’s. Dinand was zo trots op die kuif, het was er net zo eentje als Richairdo Zivkovic had. En toen hij hoorde dat hij niet meer beter zou worden. Maar ook dat duurde maar even. Al snel besloot hij te genieten van de dagen die hem nog restten.

Wat doet een jongen die niet meer beter wordt in zijn laatste maanden? Rijden in snelle wagens. Koffie drinken met zijn grote held Bert Visscher. En wedstrijden van zijn club FC Groningen bezoeken.

Tijdens een Doe Een Wens-dag ontmoette Dinand het elftal. Daar gebeurde iets bijzonders: de spelers besloten dat de kleine jongen na de bekerwedstrijd tegen Flevo Boys met hen mee mocht in de spelersbus – de bus, die normaal gesproken absoluut verboden is voor iedereen behalve spelers en staf.

Die middag maakte Dinand samen met zijn moeder gelukspoppetjes aan de keukentafel. FC Groningen won de bekerwedstrijd. Dinand werd in zijn rolstoel de bus in gehesen. Praten kon hij inmiddels niet meer zo goed door alle medicijnen. Maar hij kon wel elke speler een poppetje in de hand drukken. Later vertelde hij…

LEES HIER VERDER (blendle)
(Of hier gratis)

Verschenen in Trouw, 4 mei 2015
Foto: Dagblad van het Noorden

Tags: