De achtste renster
Na een schandalig valse start in de Tour de Languedoc, zo slechts zelfs dat wij rensters uit protest niet van start gegaan zijn toen het startschot klonk en waarover je hier alles hoort, bleek de organisator zich toen het puntje bij paaltje kwam toch aan alle afspraken gehouden te hebben. Er staan 48 gendarmes voor ons klaar, er is geen kruispunt onbewaakt en na de eerste nachten in een mottige stacaravan met muizenkeutels, stinkdekens en slecht eten zijn we in betere accommodaties met dito voedsel terecht gekomen.
Tijdens de eerste etappe, die eigenlijk de tweede was omdat de eerste etappe geschrapt was, reed ik telkens met mijn kin op mijn frame rond. Zo mooi. De Fransen hebben wederom weer een bijzonder slechte beurt gemaakt, maar god, wat wonen ze in een prachtig land. Vergezichten met besneeuwde Pyreneeën, velden vol klaprozen en korenbloemen, pittoreske dorpjes; Frankrijk zoals je Frankrijk alleen maar in de film ziet. En daar fietsen wij doorheen, over door de gendarmes leeg geveegde wegen met prachtig strak asfalt onder de wielen.
Na het laatste klimmetje denderen we de vlakte in, richting Middellandse Zee. De wind waait verschroeiend hard, buldert in onze oren, rukt aan onze truitjes. Het hele peloton is nog bij elkaar want het was geen zwarte rit tot nu toe, maar zo gauw we een bocht omdraaien, spat het hele peloton uit elkaar. Ik bevind me in de kopgroep, tot – KGGRRRRRR – de Russische voor me met haar derailleur drie spaken uit mijn voorwiel maait. Ik blijf overeind, maar sta wel meteen stil. Steek m’n hand omhoog – om de jury te waarschuwen dat ik pech heb, zodat die mijn ploegleider kan laten weten dat hij zo snel mogelijk naar me toe moet komen.
Ik kijk om. Overal plukjes rensters over de lange rechte weg. En heel in de verte de volgwagens. Shit. Een voor een komen de plukjes voorbij. Waar blijft nou mijn ploegleider? Ik wacht en wacht, met mijn voorwiel inmiddels in mijn hand in de lucht. Als ze nu nog niet zien wat er aan de hand is… Eindelijk komt de ploegleider langszij. “Ze waarschuwden ons niet!”, roept de mechanieker, die snel een nieuw wiel in mijn fiets zet en me er vandoor duwt. Met de tong op de schoenen achtervolg ik net zo lang tot ik weer terug ben in het peloton, dat inmiddels – gelukkig – is stilgevallen omdat we wind op kop hebben gekregen.
Ik ben zo nijdig dat ik zo gauw ik een geschikt moment zie mijn kont licht en demarreer. En als ik weer teruggepakt ben nog een keer. En nog een keer. Tot in de laatste kilometers de snelheid zo hoog is dat demarreren niet meer lukt. Normaal ben ik een angsthaas in de hectiek van de massasprint, maar de uit m’n wiel gereden spaken hebben me kennelijk net die extra adrenaline gegeven om me ditmaal prima van voren te handhaven. Rotonde, laatste bocht, sprint van vijfhonderd meter tot de finish, weet ik uit het routeboek.
Daar komt de laatste bocht. Wat wij niet zien, maar u op televisie wel als er een helikopter boven het peloton zou hangen, is dat er in de finishstraat auto’s geparkeerd staan. Doodnormaal in het vrouwenwielrennen, dat komt overal voor, maar het levert wel vaak gevaarlijke situaties op. Helemaal in de laatste honderden meters en zéker als er meteen in bocht een auto staat. Dus precies wat u dan op televisie al ziet aankomen, gebeurt.
De eerste zeven rensters zeilen de bocht nog ongehavend door, paniekerig uitwijkend voor die plotseling opdoemende auto, maar de achtste renster wordt aangetikt door het weg zwiepende wiel voor haar en kwakt op volle snelheid tegen de auto. Die achtste renster ben ik. De negende en tiende renster knallen over mij heen. De rensters daarachter weten het vege lijf te redden, gealarmeerd door de herrie van piepende remmen, knappend carbon en schrapen van metaal langs metaal.
Ik lig helemaal tegen de auto aan gevouwen, een fiets die niet van mij is tegen me aan, de ketting om m’n elleboog gewikkeld. Het eerste wat ik denk is: KUT! KUT KUT! DAAR GAAT M’N TOPKLASSERING! Ik krabbel overeind, grabbel naar m’n fiets en help de renster die over me heen gevallen is. De ploegleider komt langszij en de mechanieker vervangt m’n dubbelgevouwen achterwiel. Ik wil weer opstappen maar zie dat mijn stuur helemaal doormidden is. Reservefiets van het dak, hoofdschuddend naar de finish peddelen en intussen constateren dat de lichamelijke schade meevalt. Veel anders zit er niet op.
Al snel blijkt dat de klap harder was dan ik aanvankelijk dacht. Mijn elleboog zwelt op tot een meloen, een paar ribben beginnen op te spelen en ik heb over m’n hele achterkant blauwe plekken en schrammen. Dat wordt me een nachtje. Om nog maar te zwijgen van de dag erop. Maar hey, dat is wielrennen, is ons mantra. We likken onze wonden en gaan grijnzend verder.
(Maar het blijft kut van die topklassering. Kut.)
Marijn | 19 mei 2013 | 1 Comment »




English






