De armen van Brama

Schermafbeelding 2014-10-21 om 12.23.23In een ver verleden werkte ik voor Holland Sport. U weet wel, dat programma met petje op petje af. In een ver verleden, toen Wout Brama nog een aanstormend talent bij FC Twente was. Hij had een fantastisch seizoen, had net gedebuteerd in Oranje – en hij was te gast in ons programma.

Nu moet u weten dat we meestal nogal worstelden met voetballers in de uitzending. Want de meeste voetballers hebben, om eerlijk te zijn, nogal moeite met meer dan twee zinnen achter elkaar uitspreken. Laat staan een boeiend verhaal vertellen.

Zo niet Wout Brama. Hij schudde de ene na de andere anekdote uit de mouw. Over hoe hij eigenlijk geneeskunde had willen studeren. Dat deed zijn broer ook, maar die was al 28 en nog stééds niet klaar en ja, de kans om op het hoogste niveau te voetballen krijg je maar één keer. Dan maar geen dokter worden.

Of over hoe hij in een meubelzaak in Oldenzaal stond. Zijn telefoon ging. Hij had eigenlijk geen zin om op te nemen, want het zou wel weer een journalist zijn, maar de nieuwsgierigheid won het. Bleek het de teammanager van Oranje. Of hij zo snel mogelijk naar Noordwijk wilde komen. En daarom had hij dus nog steeds geen nieuwe stoelen.

Mijn collega Laura begeleidde Wout achter de schermen. Op zeker moment kwam ze met hoogrode konen de redactieruimte binnen. O, bracht ze nog net uit: zijn armen… Ze bleek Wouts bovenarm even te hebben aangeraakt. En die was kennelijk nogal gespierd. Zo gespierd dat we Laura de rest van de avond koelte moesten toewuiven. Vanaf toen waren de armen van Wout minstens één keer per dag onderwerp van gesprek.

U begrijpt: ik vind het mooi dat Wout naar ons PEC komt. Want ik hou van voetballers die wat te melden hebben. En die lekkere armen, vooruit, die zijn een niet onprettige bijkomstigheid.

Verschenen in De Stentor, 18 oktober 2014
Foto: screenshot Holland Sport

Tags:

Waaierrijden op de apenrots

10486364_770396036339315_7294259651418370200_nIn principe huldig ik het principe van gelijkheid tussen man en vrouw. Vrouwen moeten dezelfde kansen als mannen krijgen, vind ik. Omdat vrouwen evenveel waard zijn. Niet omdat ze gelijk zijn. We kunnen zeggen van wel, maar het is niet zo. Vrouwen hebben een totaal andere instelling dan mannen.

Ik generaliseer nu even hè, maar ga eens een clinic wielrennen geven. De stemming voor aanvang in een groep vrouwen: ze zijn allemaal bang dat ze het niet kunnen. Ze vrezen dat ze niet sterk genoeg zijn. Dat ze de groep tot last zullen zijn. Mannen denken precies het tegenovergestelde: zij kunnen alles al. Deze zomer gaf ik een clinic aan een groep mannen in een winderige polder. Een vriendengroep. Twee keer per week fietsen ze met elkaar, liefst zo hard mogelijk door de wind. Maar dat ging veelal mis: het niveauverschil was aanzienlijk, dus de sterkste fietsers losten de wat langzamere broeders steevast. Niet leuk voor de snelsten, want die moesten steeds wachten. En niet leuk voor de zwaksten, want die zwalkten continu achter de groep aan.

Ik kwam een minicursus waaierrijden geven. Dat betekent: met een groep zo hard mogelijk door de wind fietsen, kop over kop, daarbij gebruikmakend van de kracht van de sterksten om ook de mindere mannen op hoge snelheid te laten meedraaien.

Goed waaierrijden is een kunst. Het vergt oefening en vooral: rekening houden met de anderen in de groep. Degene die op kop komt, hield ik de mannen voor, wacht een heel belangrijke taak: niet versnellen. Het is o zo verleidelijk om een tandje bij te schakelen als het lege asfalt zich ineens voor je uitgestrekt. Maar doe je dat, dan kan de vermoeide man die net van kop komt niet meer achter aansluiten en trek je de waaier uit elkaar. Dus. Niet snokken, heren. Of ze dat begrepen hadden? Dat hadden ze begrepen.

We gingen oefenen. En alsof ik niks gezegd had, snokten de vier…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 20 oktober 2014

—————————————————

En ik was vandaag ook nog te gast in En Dan Nog Even Dit, over de lancering van #weownyellow en enge spinnen:

Tags: ,

Sinds Anna een ironman is, is alles makkelijk

10461630_10152115535442142_6489943080907839476_nLang blond haar heeft ze, en een mooi gezicht. Haar nagels zijn altijd netjes gelakt, je ziet haar nooit zonder make-up en haar favoriete schoenen zijn pumps. In haar Ryanair-pakje is ze het klassieke beeld van een stewardess. Een vrolijke stewardess, want ze lacht altijd. En ze houdt geen seconde haar mond. Dat is mijn Finse vriendin Anna ten voeten uit.

Aan haar moest ik denken toen ik gisteren las dat de Australische Mirinda Carfrae het wereldkampioenschap triatlon, de ironman van Hawaii, won. Carfrae zwom 3,8 kilometer, fietste 180 kilometer en rende ruim 42 kilometer in negen uur en vijfenvijftig seconden.

Ik kan bijna niet onder woorden brengen hoe buitenaards ik die prestatie vind. Ik ben zelf atleet, maar ik kan me niet voorstellen dat ik mijn lichaam negen uur lang tot het uiterste zou drijven. Dat ik naast fietsen, mijn sport, ook nog een uur zou zwemmen, laat staan een marathon lopen.

Mijn vriendin Anna kan zich dat wel voorstellen. Sterker: ze deed mee aan een ironman. Deze zomer, in Nice. Zij, de blonde kletskous die er in de verste verte niet uitziet als een atleet. Toen ze me vertelde wat ze van plan was, was ik sprakeloos. Ik had wel eens met haar gefietst en wist daardoor dat ze, nou ja, niet echt hard fietsen kan. Ze heeft er de aanleg noch het lijf voor. Maar Anna vond dat ze er klaar voor was, na een keer een kwart en een halve triatlon gedaan te hebben.

Ik bleek niet de enige met twijfels, want toen Anna…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 13 oktober 2014
Foto: Facebook

Tags:

Ga vroeg, verras de rest, zie alleen de streep

foto(287)“Als je geen sprinter bent, ga dan vroeg. Neem zelf het initiatief, verras de concurrentie. Als je gaat, blijf dan naar de streep kijken. Laat je niet afleiden door de renners naast of achter je. De streep. Dat is je doel. Focus je daarop.”

De woorden echoën in mijn hoofd op het moment dat Daniel Martin in de laatste kilometer van de Ronde van Lombardije een late demarrage plaatst, of heel vroeg aan zijn sprint begint – het is maar hoe je het bekijkt.

Het zijn de woorden van Neil Martin, de vader van Dan. Tijdens onze uren op de fiets, afgelopen winter, heeft Neil me veel geleerd over wielrennen. Over koerstactiek. En over hoe je als niet-sprinter een wedstrijd kunt winnen. Dezelfde lessen als hij zijn zoon Dan ooit gaf kreeg ik, terwijl we door de heuvels rond het Spaanse Girona fietsten.

Al is hij al jaren geen prof meer, ik ken geen andere mannen van 54 die zo fit zijn en zo graag fietsen als Neil. Ik ken ook weinig mensen die het leven zo omarmen als hij. In de Britse regen zitten vindt hij tijdverspilling. Daarom woont hij met zijn vrouw Maria in Girona. Hun zoon Dan woont om de hoek. Elke dag trekt Neil erop uit met zijn fiets. Moeiteloos peddelt hij de trainingsritten van de profs mee.

Maar deze winter fietste Neil vooral met mij. Elke avond stuurde hij…

LEES HIER VERDER (blendle)

Verschenen in Trouw, 6 oktober 2014

Tags:

Mijn moeder

Berghuijzen 1Ik ben bij mijn ouders op bezoek als mijn moeder vraagt: “Dat boek van Tyler Hamilton, over zijn dopinggebruik, dat had jij nog niet gelezen toch?” Ze loopt naar de kast en speurt de ruggen van de boeken af, op zoek naar De Wielermaffia. Na even speuren trekt ze het uit de kast en duwt het in mijn handen. “Hier. Echt een goed boek, hoor.”

Inmiddels ben ik er een beetje aan gewend dat mijn moeder koersfan is, maar als ze dit soort dingen zegt en doet, val ik nog steeds uit de zetel van verbazing. Tot vijf jaar geleden hoorde ik haar enkel dingen zeggen als: “Dat domme gefiets achter elkaar aan door Frankrijk, waar is dat nou goed voor?” En: “Zo’n wielerwedstrijd is toch verschrikkelijk saai? Urenlang op de fiets. Dom gedoe.”

Tegenwoordig moet ik er niet verbaasd van opkijken als de televisie afgestemd staat op de Tour de France, zelfs als mijn moeder alleen thuis is. Mijn vader volgde de koers altijd wel, of althans, ik herinner me dat Radio Tour de France altijd aanstond toen ik kind was, terwijl de geur van versgebakken pannenkoeken door het huis dreef en ik mijn vieze gespeelde voeten waste voor we aan tafel gingen.

Toen ik ging fietsen op mijn 30ste, vond mijn moeder dat maar niks. Waarom ik dat nog wilde, op mijn leeftijd. Wedstrijden rijden, afzien, pijn lijden, vallen, botten breken… En vooral: dat domme achter elkaar aan sjezen. Ze begreep het niet. Het liefst zag ze me meteen weer stoppen. Dan hoefde ze tenminste niet bang te zijn dat ik viel.

Maar al snel begreep ze dat ik volledig gegrepen was door de koers. Liever ging ze zich er nu in verdiepen, dan zich er tegen af te zetten. Zo stond ze ineens langs de kant tijdens de Ronde van Drenthe, zo zenuwachtig om mij te zien koersen dat ze alleen maar vlekkerige foto’s maakte van het trillen. Bij een volgende doorkomst had ze het toestel op een grote steen gezet en waren de foto’s scherper.

Ik koerste net een jaar toen mijn broertje kanker kreeg. Teelbalkanker, net als Lance Armstrong. Ze waren er vroeg bij, het was goed te genezen. Maar hij moest wel behandeld worden met operaties en chemokuren. Mijn moeder las Door de pijngrens, een van de biografieën van de toen nog niet gevallen coureur, en putte er hoop uit. Ze ging een geel bandje dragen.

Niet veel later kocht mijn moeder een koersfiets. Eentje met een recht stuur, dat zat wat comfortabeler en remde wat makkelijker. Ze was tenslotte al 62 en had nog nooit op een fiets met van die dunne bandjes en klikpedalen gereden. Ze ging trainen. En ze deed mee aan Alpe d’Huzes, om geld in te zamelen voor de kankerbestrijding. Mijn moeder reed de Alpe d’Huez op. Fluitend. Mijn moeder! Ze had zeker meerdere malen naar boven gekund, zo fit als ze was, maar ze durfde niet af te dalen. Dus het bleef bij één keer.

Inmiddels is mijn broertje al een tijd genezen. Een doel om te fietsen heeft mijn moeder niet meer. Een doel hoeft ze ook niet meer. Het fietsen zelf is een doel geworden. Om te ontspannen, te genieten. Net als bij mij gebeurde, heeft het fietsen haar helemaal gegrepen. Morgen gaat ze op vakantie, met mijn vader – die inmiddels ook een racefiets heeft gekocht. Ze gaan heuvels bedwingen in Duitsland.

Intussen speurt ze vage websites af om maar zo snel mogelijk uitslagen te vinden van mijn koersen. Ze weet precies wanneer en waar ik koers, ook als ik het haar niet vertel. Ze moedigt mij en mijn ploeggenoten aan op Facebook. En ze smst me telkens weer een succeswens.

Om koersfan te worden ben je nooit te oud. Om zelf te fietsen, ook niet. En om ontzettend trots te zijn op je stoere moedertje, al helemaal niet.

Hup mam!

Verschenen in cycling.be, september 2014
Foto: sportfoto.nl

Tags: