Pingelen

10636287_782954148416837_263416798553265195_nAan de oever van de Mekong rivier spelen acht jongens straatvoetbal met een knalroze bal. Dat is handig, want het is al donker. De roze voetbal is goed te zien in het licht van de straatlantaarns.

De vochtige warmte van de rivier omhult me als een deken. Zelfs zonder iets te doen voel ik zweet op mijn bovenlip. De jongens in hun Barcelona- en Brazilië-shirts vliegen tussen de goaltjes heen en weer alsof ze nergens last van hebben. Tot de bal het veld uitrolt. Dan heeft niemand nog zin een stap te verzetten – zelfs de kleinste die telkens de bal moet halen treuzelt zolang hij durft.

Als de bal weer in het spel is, lijkt de klamme hitte vergeten. Mijn ogen blijven hangen aan een watervlugge jongen. Een pingelaar. Als hij de bal heeft, verlaat die z’n voet niet meer tot hij op goal geschoten heeft. Alles kan hij met het roze ding. Ook mijn vriend, niet snel onder de indruk, kijkt gefascineerd toe.

“Gaaf”, zucht ik, “maar wel flauw dat ‘ie nooit afspeelt.” Mijn vriend schudt z’n hoofd. “Nee, goed juist. Hier krijg je de beste voetballers van.” Ik kijk hem verbaasd aan. Ook kinderen moeten leren samenspelen, toch? “Dat leren ze later wel. Eerst moeten ze leren voetballen en dat doe je zo”, knikt hij naar de jongen die de bal met speels gemak tussen de benen van zijn tegenstanders door goochelt.

Het is geen gangbare opvatting, maar wel waar, denk ik. Zo zijn vele grote voetballers begonnen: op straat, de irritantste van de groep, die alles alleen doet en iedereen gek maakt met zijn trucjes.

De bal rolt de straat over, richting een tempel waar muziek klinkt en gedanst wordt. De jongens staan stil, op de kleinste na, die de bal haalt. En op de pingelaar na. Hij beweegt ritmisch op de klanken uit de tempel. Onvermoeibaar.

Thaise voetballers, ik ken er geen. Maar wie weet, over tien jaar. Want pingelen kunnen ze hier.

Verschenen in De Stentor, 8 november 2014

Tags:

Een topsporter mag nergens van wakker liggen

10525864_782954001750185_3337444428024396506_nIk zit aan de oever van de Mekong. De maan is net op. Hij is vol en schijnt groot en melkwit in de rivier. Links en rechts van de weerspiegeling van de maan dansen lichtjes op het water. Kaarsjes. Het is Loi Krathong-festival in Thailand en omdat wielrenners ook wel eens op vakantie gaan, kijk ik toe hoe een hele stoet mensen kleine bootjes te water laat. De bootjes zijn gemaakt van bladeren en bloemen en er staat een kaars in.

De Thai geloven dat ze met het loslaten van de bootjes ook alle zorgen en pijn van het jaar dat geweest is, loslaten. Moeders met kinderen, oudere echtparen arm in arm, jonge stellen: allemaal komen ze naar de rivier. Allemaal prevelen ze een gebed met het bootje boven het water geheven. En dan laten ze los. Binnen de kortste keren drijven honderden lichtjes met de stroom mee.

Ik staar ernaar en vraag me af of de mensen hier net zulke rupsjes nooitgenoeg zijn als wij, in Nederland. Ik kan het me bijna niet voorstellen. Misschien zijn er niet voor niets zo weinig Thaise topsporters. Wij willen altijd beter, sneller, hoger. De Thai lijken tevreden met hoe het is.

Talloze malen heb ik me voorgenomen om ook beter te worden in loslaten. Misschien is dat ‘beter willen worden in’ alweer te prestatiegericht, want makkelijk vind ik het niet. Loslaten betekent relativeren, en dat is nou net niet de sterkste kant van sporters.

Wekelijks krijg ik de vraag of ik het niet jammer vind dat ik niet eerder ben begonnen met wielrennen. Dan antwoord ik…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 10 november 2014

Tags:

Een wielrenner daten

schaduwfietsenEr moet mij een hartelijk dankjewel van het hart, lieve lezers.

Nog nooit kreeg ik zoveel reacties op een column als op het stuk dat ik voor het julinummer van Cycling.be schreef. Misschien herinnert u zich het bewuste verhaal nog: het ging over Tinder, dat programmaatje voor de smartphone waarmee ik mij op het datingpad begaf.

Ik vertelde hoe ik op die app naast talloze mannen met dikke vissen in hun armen ook bijzonder veel wielerliefhebbers tegenkwam. Wielerliefhebbers die graag met een profwielrenster wilden daten en over niets anders praatten dan wielrennen. Dat vond ik maar niks. Ik ga liever met mannen uit die met míj willen daten dan met mannen die met een wielrenster willen daten. En ik praat ook graag eens over iets anders dan wielrennen.

Enfin.

Toen de column verschenen was, kreeg ik ineens allerlei mailtjes. Van mannen. Dat ze zo gelachen hadden. Dat het erg herkenbaar was. Dat ze dat even wilden laten weten. Verder niks. Ze mailden echt niet om een date met mij te regelen, heus waar niet, maar toegegeven: bezwaar zouden ze er niet tegen hebben. Als ik wilde. Want dat kon zomaar, natuurlijk.

Hoe dan ook. Bij deze hartelijk bedankt, voor alle enthousiaste mails.

Nu we het er toch over hebben: je weet inderdaad maar nooit of je een wielrenner (m/v) aan de haak slaat. Het is te hopen dat die wielrenner het ook over andere dingen dan enkel de koers wil hebben, maar eens in de zoveel tijd kun je niet om dat onderwerp heen. En al weet je er nog zoveel van, op sommige punten is het omgaan met een wielrenner bepaald geen sinecure. Daarom hier vier don’ts voor iedereen die verkering met een wielrenner heeft of ambieert.

1. Zeg na een wedstrijd met een voor je lief teleurstellend resultaat nooit: “Volgende keer beter.” Wielrenners zijn nooit tevreden en kunnen moeilijk relativeren, zeker vlak na een koers. Het had gewoon goed moeten gaan en dat was &%##$# niet zo. Wat wel te doen in zo’n situatie? Je mond houden. Wat te drinken aanreiken en een begripvol klopje op de rug geven. Het chagrijn verdwijnt vanzelf. Vermoedelijk.

2. Gelukkig zijn de resultaten soms beter. Maar ook dan moet je op je tellen passen. Natuurlijk is het waanzinnig als je lief tweede wordt in een koers. Maar wees niet verbaasd als hij of zij de fiets uit frustratie liefst dubbelvouwt, want winnen is het enige dat telt. Tweede worden is verliezen. Dus streng verboden is de opmerking: “Tweede is toch ook mooi!” – tot het moment dat je (geambieerde) partner daar zelf mee komt, want dan heeft hij of zij het verlies geaccepteerd en blijkt tweede worden inderdaad toch ook mooi.

3. In het wielrennen heb je knechten en kopmannen. Van die eerste categorie zijn er veel, de laatste zijn wat dunner gezaaid. Grote kans dus dat de door jouw begeerde renner een knecht is. In dat geval fietst je lief zich zijn of haar poten uit het lijf voor een ander en staat zelf nooit op het podium. Dat is zijn of haar werk, daar zit hij of zij niet mee. Maar vraag na een koers nooit: “Hoeveelste was je zelf nog?” Dat kan in het ergste geval zelfs leiden tot fysieke agressie, verbaal begeleid door: “Maar je wéét toch dat ik knecht ben?! Je snapt er ook niks van! #$$%%@# Dan doet mijn eigen uitslag er niet toe!” Eigenlijk bedoelt een renner dan: waardeer mijn beulswerk. En terecht.

4. Zeg voor de start van een koers nooit: “Doe voorzichtig”. Of erger nog: “Niet vallen hè”. Natuurlijk maak je je als (potentiële) partner eindeloos zorgen over alle afschuwelijke valpartijen waarin je lief verzeild kan raken. Maar praten over vallen vóór de koers is als vloeken in de kerk. De goden verzoeken. Dat wordt dus niet gedaan, nooit. Daarbij kán een wielrenner niet beloven voorzichtig te doen, want dat hoort niet bij de koers, en niet vallen is al helemaal een onmogelijke belofte. Vallen hoort erbij. Je lief mauwt er zelf niet over, dus dan moet jij dat ook niet doen.

Tot zover. Doe er je voordeel mee als je ooit samen met een wielrenner (m/v) op een roze wolk belandt. En hoe het nu met mij gaat? Maakt u zich geen zorgen. Ik ben weer van de markt. Ingepikt door een man die me leuk vindt met én zonder fiets. En die nooit vraagt hoeveelste ik zelf nog was.

Verschenen in cycling.be, oktober 2014

Tags:

Jillert Anema: schaatscoach én relatietherepeut

BIZZ3a0CcAAdaQc.jpg_largeOh, Jillert Anema. Je houdt van hem of je haat hem. Ik hou van hem. De manier waarop de schaatscoach zich voor de camera kan opwinden: heerlijk.

Gewoon even het hele Amerikaanse volk op de hak nemen. Zeggen dat ze niks voorstellen omdat ze geen Olympische medailles op de lange baan hebben gehaald – en dat het jaloerse jankerds zijn dat ze daar nog over mekkeren ook. Of volledig over de rooie gaan vanwege te harde muziek in Thialf. Want die kl***-beat haalt de schaatsers uit hun ritme. Gooien met dingen als zijn pupil verliest. Stampvoeten. Schelden, tieren.

Je zou kunnen zeggen: Anema, hou je een beetje in. Gedraag je wat beschaafder. Professioneler. Dat zou je kunnen zeggen, ja. Maar van mij mag hij zich lekker blijven opwinden.

Want daar tegenover staat dat Anema zich ook als een lieve opa ontfermt over het kind van Carien Kleibeuker als zij gehuldigd wordt voor haar olympische bronzen plak. En als een van zijn schaatsers wint, zie je aan zijn hele lijf dat hij uit elkaar zou spatten van vreugde, als hij kon. De binnenkant van zijn bril beslaat regelmatig tijdens interviews omdat hij nu eenmaal snel geëmotioneerd is.

Anema is een gevoelsmens.

Ik denk dat dat ook de enige reden is waarom hij…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 3 november 2014
Foto: twitter @hlynnrichardson

Tags:

Vrouwenvoetbal op leven en dood

Ze ijsbeert langs de lijn. Met een zware stem roept ze aanwijzingen naar haar elf vrouwen in het veld. Vera Pauw, icoon als het aankomt op vrouwenvoetbal en tot dit weekend bondscoach van de Zuid-Afrikaanse damesploeg.

Graag was ik bij de redactievergadering van Studio Sport geweest waarin tot deze reportage besloten werd. Hoe zal die verlopen zijn? Misschien ben ik te negatief, maar ik denk zo: Een zucht. Vrouwenvoetbal. We moeten er echt wat mee, want de kwalificatieduels voor het WK van volgend jaar in Canada worden op dit moment gespeeld.

Een samenvatting van Schotland – Nederland? Mweh. Willen onze kijkers niet zien op zondagavond. Weet je wat? We sturen iemand naar Namibië. Daar wordt Zuid-Afrika – Ivoorkust gespeeld. Als Zuid-Afrika deze wedstrijd verliest, rolt de kop van Vera Pauw. Zoveel is al duidelijk. Oké, interessant. Doen we.

In plaats van een sportjournalist stuurde Studio Sport Afrika-correspondent Bram Vermeulen naar de wedstrijd. Want hoe moeilijk kan een verhaaltje over vrouwenvoetbal nu helemaal zijn. Of Vermeulen heeft zijn verhaal zelf aangeboden aan Studio Sport. Dat kan ook. Opgelucht dat er iemand met een onderwerp over vrouwenvoetbal aankwam, werd er meteen ja gezegd – zonder goed door te vragen naar de inhoud…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 27 oktober 2014