Wielrenners met karakter, die zijn er niet veel

wiel brownWielrenners die als apen met koala’s, babykangoeroes en wurgslangen op de foto gaan, een rondje om de kerk in Adelaide, een massasprint gewonnen door Marcel Kittel en voilà: het wielerseizoen van 2015 is gisteren weinig verrassend in gang geschoten.

Voor de puristen is de Tour Down Under het voorspel op de ‘echte’ koersen. Die beginnen op 28 februari met de Omloop het Nieuwsblad.

Maar voor één man draait wielerjaar 2015 enkel en alleen om de wedstrijden in Australië. Die man is Cadel Evans. Na de races in zijn thuisland zal hij nooit meer een rugnummer opspelden. De oud-wereldkampioen en Tour-winnaar gaat op 1 februari met pensioen.

Met sommige renners heb je meer dan met andere. Ik tenminste. En hoewel Evans bij een groot deel van het peloton en het publiek niet echt geliefd is – omdat hij raar zou zijn, een autist en een wieltjeszuiger – ben ik dol op hem. Ik heb hem nooit persoonlijk ontmoet. Maar we hebben wel een geschiedenisje samen.

Op maandag 3 mei 2010 werd ik er als redactrice van het televisieprogramma ‘Holland Sport’ op uit gestuurd. Naar Middelburg, om de derde etappe van de Giro d’Italia te volgen – die in het Zeeuwse stadje zou finishen. Mijn opdracht: neem ‘iets’ mee uit de Giro, voor de live uitzending van die avond.

Met bonkend hart reed ik naar het zuiden. Wat zou ik eens proberen te regelen? De roze trui zou natuurlijk het allerstoerst zijn. Maar welke klassementsleider wil die nu afstaan aan een of ander trientje dat beweert het mee te nemen naar een of ander televisieprogramma? Niemand toch zeker.

Toch zocht ik als eerste de bus van BMC op, de bus van wereldkampioen Cadel Evans, die voor de tweede dag in het roze reed. Daar trof ik tot mijn verrassing…

LEES HIER VERDER (blendle)

Verschenen in Trouw, 19 januari 2015
Afbeelding: dit wist ik ternauwernood nog wél mee te nemen uit de Giro…

Tags:

Mijn Ullrich-winter

IMG_5317Het was me het Ullrich-wintertje wel. Potver, wat ben ik lui en dik geworden. In mijn hele carrière – van welgeteld vijf jaar, maar vooruit – heb ik nog nooit zo’n lange pauze genomen als ditmaal. Ik was eraan toe na een ronduit teleurstellend seizoen. De bijna vier weken kriskras door Thailand hebben ervoor gezorgd dat mijn hoofd helemaal leeg is en ik met meer motivatie dan ooit aan de voorbereidingen voor het seizoen van 2015 begonnen ben.

Motivatie om te trainen, mijn conditie op te bouwen, mijn papperig geworden spieren weer sterk te zien en voelen worden. Motivatie om te trainen als het koud is, zelfs als het regent. Zelfs als het regent? Jazeker.

Als vanzelf gaan mijn gedachten naar alle momenten die ik de afgelopen jaren in de stromende regen langs de kant van de weg heb gestaan met een lekke band. Ik kan de plekken exact uittekenen, want allemaal waren ze min of meer traumatisch. Zo ellendig voelde ik me. Met vingers verstijfd van de kou en zwart van de smerigheid van de velg, stond ik te klungelen met een nieuw bandje. Auto’s raasden voorbij, mensen keken vanuit hun warme stoel naar dat verzopen katje langs de weg.

Een keer werkte mijn pompje niet. Ik stond middenin de kale polder en de regen striemde op me neer. Het dichtstbijzijnde huis lag niet eens in het zicht – en hoe groot is de kans dat ze bij het dichtstbijzijnde huis een pomp zouden hebben die geschikt is voor een racefietsbandje? Op soppende schoenen liep ik mijn plaatjes kapot tot ik bij een boerderij was. Ik had geluk; ik trof een prima fietspomp in de schuur.

Een andere keer was ik zo stom niet eens een pompje mee te nemen. Na een trainingskoers had ik mijn zadeltasje niet meer onder mijn zadel gehangen. Ik ben nogal vergeetachtig van aard. Vandaar dat ik ook nooit een bel op mijn fiets heb. Het is geen onwil, ik vergeet het ding gewoon altijd. In het geval van het zadeltasje dacht ik toen ik net vertrokken was nog wel: oei, vergeten – maar ik ging niet terug. Het zal wel goed gaan, dacht ik. Dat is de goden verzoeken natuurlijk en ja hoor: het begon te regenen dat het goot. En ik reed lek.

Het was maandagochtend. Al mijn vrienden waren aan het werk, dus ik kon niemand bellen om me te halen. Terug naar huis lopen was te ver. Dan maar fietsen, op die lekke band, heel voorzichtig in een poging de velg niet finaal kapot te rijden. Ik wist dat er halverwege een fietsenzaak zat en stilletjes bad ik dat die open was. De meeste Nederlandse winkels zijn dicht op maandagochtend, dus groot was de kans niet. Alweer had ik geluk: de winkel bleek open! Inmiddels waren mijn binnen- én buitenband helemaal door. De fietsenmaker was zo lief beide te vervangen. Voor het luttele bedrag van 65 euro. Toch niet zo’n geluk en al helemaal niet zo’n lieve fietsenmaker.

De dag dat ik door Duitsland naar mijn ouders ging fietsen zal ik ook nooit meer vergeten. De voorspellingen waren goed, maar uiteraard: regen. Een lekke band. Geen bandenlichters. Geen bereik met mijn mobiele telefoon. Honderden Duitsers passeerden me in hun wagens, ze toeterden en lichtten, maar niemand stopte. Na veel gehannes had ik de band vervangen. Sinds die tijd ben ik nooit meer door Duitsland naar mijn ouders gefietst.

Maar de ergste keer was toen ik van Hilversum naar Zwolle fietste. Ik wist dat ik door moest rijden, want ik had weinig tijd voor het donker werd. Ik had meer wind tegen dan ik dacht en ik koos een weg die ik niet helemaal kende. Een kortere weg, dacht ik. Door het bos, dus meer beschut.

Halverwege was ik helemaal doorweekt en door en door koud. En ik moest nodig plassen. Stoppen wilde ik niet, want die natte kleding van mijn lijf pellen zou nog veel meer kleumen betekenen en bovendien schemerde het al. Ergens op een smal bospaadje voelde ik mijn voorband wegrollen. Ik keek.

O nee…

Mijn handen waren zo stijf dat ik mijn handschoenen niet eens uit kreeg, laat staan mijn band van de velg. Intussen plaste ik bijna in mijn broek. Tranen brandden in mijn keel terwijl het nu echt donker werd. Met smeer op mijn gezicht, bloedende nagels en een blaas die op knappen stond kwam ik op het dichtstbijzijnde station aan – waar de achterlichten van de trein net in de verte verdwenen. Ik heb me zelden zo koud en ellendig en alleen gevoeld.

Maar zelf hier zie ik niet tegenop. Kom maar door met die lekke bandjes in de regen! Want na mijn Ullrich-winter heb ik meer dan genoeg spek om die te overleven.

Verschenen in cycling.be, december 2014

Tags:

Superoma

Schermafbeelding 2015-01-13 om 18.05.25Ik heb een nieuw idool. Ze heet mevrouw Jannie van Keulen. Ze is 92. En ze woont bij mij om de hoek in Zwolle.

Mevrouw Van Keulen stond tien dagen geleden in deze krant. Want ze had iets behoorlijk ongewoons gedaan, voor een 92-jarige tenminste: ze was naar het Tijgernest geklommen, een klooster dat op drieduizend meter hoogte tegen een steile bergwand in Bhutan geplakt zit. Nog nooit had een hoogbejaard iemand zoiets gedaan.

Ze voelt zich helemaal geen 92, zei mevrouw Van Keulen tegen de interviewer van De Stentor. Waarom ze zo fit is, weet ze niet. Ze houdt in ieder geval erg van fietsen. Gerust tachtig kilometer op een dag, tekende de journalist uit haar mond op.

Tachtig kilometer op een dag! Dat kwam er zo lekker tussen neus en lippen uit, maar het is wat mij betreft nog opmerkelijker dan naar het Tijgernest klimmen. Ga maar na:

Op een racefiets doe je een kleine drie uur over tachtig kilometer, mits je flink doortrapt. Maar ik kan me niet voorstellen dat mevrouw Van Keulen, hoe vitaal ze ook is, een racefiets heeft.

Op een gewone fiets rij je ongeveer vijftien kilometer in een uur. Dat betekent dat je over tachtig kilometer bijna zes uur doet. Zes uur! Zo lang fietsen de meeste profwielrenners niet eens heel vaak.

Natuurlijk zou ze ook een elektrische fiets kunnen hebben. Die krengen gaan tegenwoordig veertig, dus dan raffelt ze die tachtig kilometer makkelijk in twee uur af. Maar om de een of andere reden lijkt mevrouw Van Keulen me daar het type niet naar.

Hoe het ook zei: of ze nu rustig eventjes zes uur op de fiets zit of er wat kilometers bij heeft gesmokkeld, aan mevrouw Van Keulen is duidelijk een topsporter verloren gegaan – zowel qua fitheid als qua bravoure. Fantastisch. Als je toch op zo’n manier oud kunt worden… Ik teken ervoor.

Update: uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat mevrouw Van Keulen een elektrische fiets heeft. Hm. Dat valt me een pietsie tegen van haar. Desalniettemin blijft ze mijn nieuwe idool.

Verschenen in De Stentor, 10 januari 2015
Foto: screenshot En Dan Nog Even Dit

Tags:

Wraak voor alle tweede plaatsen van opa

10898139_10204716942076187_8758831616136399188_nZo stel ik het me voor. In zijn leunstoel zit de oude Raymond Poulidor klaar voor de televisie. Een dekentje ligt over de knieën, want al maakt hij nog regelmatig toertjes op zijn mountainbike, de 78-jarige gewrichten willen nog wel eens pijnlijk zijn op dagen als deze. Vooruit, hier in centraal Frankrijk is het een stuk minder stormachtig dan in Veldhoven, maar met zes graden en een stevig windje is het toch guur.

Zijn vrouw Gisèle komt de kamer binnen. Ze zet een dienblad met koffie en koekjes op tafel en nestelt zich dan in een stoel naast de oud-wielrenner. Ze wachten. Nog even, en dan zullen ze hun kleinzoons door het beeld zien vliegen. David en Mathieu. Ze weten de uitslag al, per sms uit Nederland vernomen, maar willen toch graag de beelden zien.

In de samenvatting van de NOS ziet ‘Poupou’ zijn jongste kleinzoon ogenblikkelijk de leiding nemen. Nog maar 19 is het snotjoch, eigenlijk te jong om met de grote mannen mee te koersen in dit Nederlands kampioenschap veldrijden. Maar hij doet het toch. Want bij de beloftes, zijn officiële leeftijdscategorie, wint Mathieu alles. Met twee vingers in de neus. En op één been. Niks aan.

Ook hier, bij de echte mannen, toont het ventje zijn bravoure. Moeiteloos baggert Mathieu door de modder, ogenschijnlijk totaal niet onder de indruk van de grote namen die hij achter zich laat.

Geen greintje van zichzelf herkent Poulidor in…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 12 januari 2015
Foto: Wouter Roosenboom/Facebook

Tags:

Achthonderd keer genadeloos op de grond

Wat doe je als je een middelmatige turner bent en je wilt toch wereldfaam verwerven? Dan bedenk je je eigen element, dat jouw naam krijgt. Liefst zo moeilijk dat je er ook wedstrijden mee winnen kunt. Twee vliegen in één klap: eindelijk die felbegeerde gouden plakken in je kast en commentator Hans van Zetten die met kopstem jubelt dat je jouw element alwéér perfect hebt uitgevoerd.

Voilà: de geschiedenis van Andreas Bretschneider. Tot voor kort een niet al te veel beduidend turnertje uit Duitsland. Vooruit, op elk groot toernooi was hij er wel bij. Maar met de prijzen ging hij er zo goed als nooit vandoor. En al helemaal niet op het hoogrek, het koningsnummer in het turnen. Dat deed onze Epke. Of Bretschneiders landgenoot Fabian Hambüchen.

Een dubbele salto achterover met gehoekte knietjes en meteen daarachteraan een dubbele schroef. Dat moest hij zichzelf maar eens gaan leren, besloot Bretschneider. De zogenaamde Kovac-Kolman-combinatie, maar dan met twee schroeven, in plaats van één. Nog nooit vertoond. Onmogelijk geacht.

Tweeënhalf jaar lang sloot Andreas zich op in een sporthal om te oefenen. Als hij uit achthonderd pogingen acht keer raak greep, was het al veel. Alle andere keren donderde hij genadeloos op de grond, uitgelachen door…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 5 januari 2015

Tags: