Mijn moeder snapt het beter dan ik dacht

10255812_694570683921857_5481388822707872766_nTerwijl het wielerpeloton over Eyserbosweg en Cauberg raasde, reden twee nieuwbakken wielervedettes Teun de Vries (63) en Jennie de Vries-Mulder (65) gisteren hun eigen Amstel Gold Race in het Zuid-Limburg van westelijk Duitsland: de Teutoburgerwald Tocht.

De oudste begon drie jaar geleden met wielrennen, de jongste zit nog maar twee jaar op de fiets. Aan hun fanatisme is nauwelijks te merken dat ze de sport nog maar zeer kort beoefenen. Klimgeit De Vries-Mulder bedwong de Alpe d’Huez al, stoemper De Vries schuwt het uit de wind houden van zijn kopvrouw nooit.

Voor ik zaterdagavond mijn bezoek aan hen beëindigde, liet De Vries, alias mijn vader, nog snel even zien hoe hij de fietsen al netjes in de auto had gezet. Een Volkswagen Caddy, speciaal gekocht voor professioneel materiaalvervoer. Enkel een bankje hoeft neergeklapt en hopla: de racefietsen staan achterin de wagen.

Ik zei dat hij zijn kopvrouw nog wel een beetje moed in mocht praten, want zij had zich op een paar fronten onzeker getoond. Ze wist dat de beklimmingen in het Teutoburgerwoud hier en daar Keutenberg-venijnig konden zijn. Wat nou als ze de benen niet had, erdoor zou zakken? Of als ze gewoon niet goed genoeg was?

De Vries-Mulder, inderdaad: mijn moeder, maakte intussen de voeding voor de volgende dag – zich niet bewust van het gesprek bij de materiaalwagen. Ze zette bakjes yoghurt met muesli in de koelkast. Koolhydraten en eitwitten. Ze zouden in alle vroegte vertrekken; om geen essentiële nachtrust te verliezen…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 20 april 2015

Tags:

Met pensioen gaan, is Wiggo’s grootste uitdaging

1236035_584261591619428_1313646036_nOp dit moment ontwaakt Bradley Wiggins langzaam uit de moeder aller katers. Dat kan bijna niet anders. Zijn lijf voelt alsof er een tractor over gereden is, heel langzaam, heen en terug. Elk botje is geraakt. Zijn rug kan hij niet rechten zonder te vloeken. Zijn vingers kan hij niet strekken zonder dat een kreun aan zijn mond ontsnapt. Zijn knieën kraken, zijn spieren janken. En zijn hoofd. O, zijn arme hoofd.

Gisteravond verdoofde hij de pijn in zijn lijf nog met tientallen pinten bier. Dat weet ik bijna zeker. Dorst dat de Brit had, na een dag lang stofhappen op de kasseistroken tussen Parijs en Roubaix. Zijn laatste dag als wegwielrenner. Heerlijk, al dat bier, na die weken en maanden zonder een druppel alcohol. Dat zuipen moet hij nu bekopen met een hoofdpijn die zijn weerga niet kent.

Tijdritten. Daar heb je min of meer vat op. Een Touroverwinning, zelfs daar heb je voor een deel controle over. Wiggins stelde ze zich als doel en won. Maar Parijs-Roubaix… Alles op die wedstrijd zetten. Daar maanden naartoe leven, weken op de kasseien trainen, een speciale fiets en volgwagen laten ontwikkelen. Dat is de kroniek van een aangekondigde nederlaag.

Sir Wiggo heeft het nodig: zichzelf een volkomen omkaderd doel stellen. Alleen dan kan hij leven als een monnik en trainen als een beest. Alleen dan biedt de fiets genoeg afleiding om de verleiding van de drank te weerstaan. Is het doel behaald, dan is de kans groot dat Wiggins zichzelf letterlijk verzuipt. In pubs, bij vrienden, of gewoon thuis. Maandenlang.

Gisteren viel hij twee keer aan in Noord-Frankrijk, twee keer tevergeefs. Hij had de benen om te winnen. Maar pech, de concurrentie, zijn positionering: alle dingen die in Parijs-Roubaix precies de goede kant op moeten vallen, waren niet met Wiggins. Hij finishte als achttiende.

Zijn vader was ook wielrenner, en daarna alcoholist. Een gewelddadige drankmisbruiker. Een zegen noemt Wiggins het dat zijn oude heer het gezin verliet toen hij nog maar twee was. Pas veertien jaar later, toen Wiggo wereldkampioen bij de junioren werd, liet zijn vader weer wat van zich horen. Hij bleek…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 13 april 2015

Tags:

Verliezen doe je alleen als je nooit iets probeert

10426279_800841926675703_1387729265492389494_nPrachtig vond ik het, hoe Niki Terpstra een inkijkje in zijn hoofd gaf voor de Ronde van Vlaanderen. Ik moet niet te veel nadenken, zei hij. Dat deed hij de afgelopen weken blijkbaar. Ik moet naar mijn koershart luisteren, vervolgde Niki, mijn instinct volgen. Dan rijd ik veel beter dan als ik twijfel over het juiste moment om aan te vallen.

Herkenbaar. En een geruststelling. Want als zelfs zulke kleppers de twijfel kennen die ik veel vaker dan me lief is tegenkom, dan ben ik misschien toch niet zo vreemd als ik dacht.

Nadenken tijdens de koers is een bitch. Zo gauw je hét moment ziet om te demarreren en een halve seconde twijfelt, is er iemand voor je geschoven die de weg blokkeert, is er al iemand anders gegaan, of is de weg weer recht en ongeschikt. Kortom: het moment is voorbij. Stop met nadenken, spreek ik mezelf zo vaak toe, volg je hart. Je instinct.

Dat geldt niet alleen voor wedstrijden. Het geldt voor het hele leven, vind ik. Onlangs sprak ik een groep ABN Amro-directeuren toe. Niet de grote graaiers aan de top, maar afdelingsbazen, kantoordirecteuren, die deze zomer te horen krijgen of ze nog een baan hebben of niet. Mensen die wellicht gedwongen hun leven een andere wending moeten geven. Ik mocht ze vertellen dat dat heel leuk en spannend kan zijn, en dat er veel meer mogelijk is dan je denkt – omdat ik profwielrenster werd op mijn dertigste, zonder daarvoor ooit noemenswaardig gefietst te hebben.

Niet veel later kreeg ik een mail van een van de directeuren. Op zijn zevende was hij met paardrijden begonnen, schreef hij me. Als jongen had hij er altijd van gedroomd professioneel dressuurruiter te worden. Hij was goed. Hij werd steeds beter en stoomde met Anky van Grunsven als zijn grote voorbeeld op richting het hoogste niveau, tot het noodlot toesloeg en zijn vader overleed. Plotseling. Aan een hartaanval. Micha Knol was toen 21.

Ineens was er geen geld meer voor paardrijden op hoog niveau. Micha moest gaan studeren en werken – en dat deed hij. Paardrijden werd een hobby. Nu is Micha 39 en verantwoordelijk voor twee ABN Amro-kantoren in het zuiden des lands.

De bezuinigingen bij de bank en mijn verhaal hadden hem aan het denken gezet, schreef hij. Want het blijft knagen. Het gevoel van…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 7 april 2015
Foto: Facebook Micha Knol

Tags:

Bas Tietema

10364077_364575213716071_2061243106686913069_nIk weet niet of jullie Bas Tietema volgen op instagram. Ik doe dat wel. En het is fantastisch.

(Bas Tietema is een van de meest getalenteerde jonge wielrenners van Zwolle en omstreken. Hij rijdt voor het opleidingsteam van het gerenommeerde BMC. Maar dat hoef ik denk ik niet uit te leggen. Instagram is een soort twitter of Facebook, maar dan alleen met foto’s. Dat is misschien wat minder bekend.)

Naast stoere koersfoto’s en bizar blije selfies staat Bas ook vaak met een meisje op de foto. De eerste keer dat ik hem met dat meisje zag, moest ik even twee keer kijken. Wie is zij, vroeg ik me af, het meisje waarover hij zegt dat haar lach mooier is dan het stralen van de sterren? Zijn buurmeisje? Vriendin?

Het blijkt zijn zusje te zijn. Een lief, klein en ontzettend vrolijk meisje. Bas speelt veel met haar: ze tekenen samen, doen spelletjes en spelen buiten. Er staan ook filmpjes van broer en zus op instagram: je ziet ze samen liedjes zingen en koekjes bakken. Bas heeft nog twee zussen, maar deze is duidelijk zijn favoriet. Ze is de jongste, denk ik.

Het is aandoenlijk om te zien hoe gek een grote jongen op zijn kleine zus kan zijn. En hoe trots hij op haar is. Van elke vier foto’s op Bas’ instagrampagina is er zeker eentje met zijn zus erop.

Rondom sporters hangt een air van perfectie. Hun lichaam is perfect, hun leven is perfect, hun familie is perfect. Sporters houden dat imago ook graag hoog. Kwetsbaarheid of onvolmaaktheid past niet in het beeld van een winnaar. Alles wat dat beeld schaden kan, wordt maar liever niet in de openbaarheid gebracht.

Bas’ zusje, het zusje van alle schattige en vrolijke foto’s, heeft het Syndroom van Down. Hoe prachtig zij is en hoe perfect hun leven samen, blijkt nergens beter uit dan uit Bas’ instagrampagina.

Verschenen in De Stentor, 4 april 2015
Foto: Facebook Bas Tietema

Tags:

Het huis van Lance

10966898_10204905447588707_419763397_nIn een van de mooiste straatjes van Girona gaan we een binnenplaats op. Hier woonde hij, dat weet ik al jaren, van de locals. De locals, die nog steeds met veel lof over hem spreken. Want in zijn kielzog kwamen tientallen profs en in hun slipstream kwamen honderden, duizenden wielertoeristen die Catalonië nu een beetje welvaart in moeilijke tijden opleveren.

Verder dan deze grote deuren ben ik nooit geweest. Slechts een blik heb ik zo nu en dan geworpen in het voormalig domein van The Boss. Maar nu mag ik binnen kijken. Het appartement staat te koop voor een miljoentje en nog wat – en mijn gezelschap heeft de sleutel. Het wordt binnenkort helemaal leeggehaald en opgeknapt, vertelt ze, terwijl ze ons binnen laat. Wij zijn de laatsten die het nog zo te zien krijgen.

Ik denk aan alle verhalen over wat hier gebeurd is. Met het felle zonlicht op straat en de heldere blauwe lucht boven ons lijken de schimmige praktijken overal te kunnen hebben plaatsgevonden, behalve hier.

Als de liftdeur open gaat, betreed ik een andere wereld. Of althans, de andere wereld laat nog even op zich wachten – vanwege een hermetisch afgesloten deur achter de opengeschoven liftdeur. Je komt hier niet zomaar binnen. Het is zoeken naar de juiste sleutel. Na lang wrikken zwaait de poort naar het appartement dat ooit van Lance Armstrong was dan écht open.

Een majestueuze gang ligt voor ons. Kamerbreed tapijt, luxe gordijnen voor de hoge ramen. Links een keuken waar Jeroen Meus zijn vingers bij zou aflikken. We maken een grap over de koelkast, jeweetwel, waar in aluminiumfolie achterin verstopt… Ja ja. We lachen. Maar het gebeurde hier wel. Op deze plek.

Ik zwerf door de ruimtes. Het huis is gigantisch. Megalomaan, bijna. Een woonkamer met twee gigantische stoelen en een kingsize bank. Glanzende barokken kasten en levensgrote marmeren kelken ter decoratie. Hoe meer ik rondkijk, hoe meer het gevoel me overvalt: hij heeft hier van alles achtergelaten. Dit zijn zíjn spullen.

Bedden met de matrassen er nog op. Badkamers als spa’s zo luxe, die gisteren nog gebruikt lijken. In lades liggen handdoeken, sommige duidelijk gebruikt – lang geleden. Lampen staan in hoeken opgesteld. Een doosje, met blauw fluweel bekleed, met daarin een gegraveerd plaatje met de naam ‘Luke Armstrong’. En dan zie ik zijn boekenkasten. Half leeg. Maar dus ook half vol.

Boeken over de geschiedenis van Amerika, over de machtige mannen van Frankrijk, over de edellieden van Parijs. Gidsen over kastelen en luxe hotels. Kapotgelezen vrouwenromans. Boeken over What to expect tijdens een zwangerschap en daarna. Ja, in deze tijd kreeg hij zijn eerste kinderen: Luke, Isabelle en Grace. Zouden die drie hier joelend door de lange gangen hebben gehold, hun kleine stemmetjes echoënd tegen de hoge plafonds?

Een boekenkast zegt veel over een mens, over een leven, over een tijdperk. Ik strijk langs de ruggen van de boeken en dvd’s. Heeft hij dit exemplaar van The Catcher in the Rye ook vastgehouden, hier gelezen, misschien wel in deze grote, zachte stoel? Keek hij hier naar Kill Bill, dat naast de verfilming van One Flew over the Cuckoos Nest staat? Daarnaast: vijf exemplaren van It’s not about the bike – in het Frans. Negen stuks van Lance Armstrong – the Race of his Life.

Tussen deze boeken boeken besef ik pas echt dat ik tussen de spullen van de meest succesvolle, gevallen en verguisde wielrenner ooit sta. Ik voel kippenvel in mijn nek en weet niet of dat uit respect, afschuw of gewoon verrassing is. Ik heb een enorm stuk geschiedenis in mijn handen, in sta middenin een essentieel deel van mijn sport – hoe je het ook wendt of keert.

Later resideerde hij hier met zijn nieuwe liefde, Sheryl Crow. Die vond het niks. Dat lag niet aan dit prachtige paleis, naar verluidt, maar aan het feit dat ze in Girona niet herkend werd. Niemand wilde haar handtekening, niemand viel in katzwijm. Hartstikke saai.

1977329_833319390046979_8132540362756901976_nIk vraag me af of hij met plezier terugkijkt op zijn tijd hier. Op deze mooie stad en op de prachtige omgeving waarin hij trainde – waarin ook ik mijn dagelijke rondes rij, over dezelfde wegen als hij.

In een nis staat een enorme beker. GP Eddy Merckx 2000, staat erop. Een koppeltijdrit in België, gewonnen samen met Ekimov. “Hey Lance”, ik twitter voor de grap een foto van mezelf met de beker, “raad eens waar ik deze prijs uit 2000 gevonden heb?” Tot mijn stomme verbazing krijg ik meteen een reactie: “You mean 1996?” “No, 2000!”, antwoord ik, met een wikipedialink erbij. “Doh, you’re right. What do I know?” – is Armstrongs laatste reactie.

Ik snap het wel. Een titel uit 1996 heeft hij tenminste nog. Al zijn uitslagen van na 1998 zijn geschrapt. Alle overwinningen die hij haalde toen hij hier woonde, zijn weggestreept.

Ik laat mijn ogen over de spullen van Lance glijden. De wielrenner uit deze tijd bestaat niet meer. Geëlimineerd en opgeruimd. Nog even, dan is zijn geest ook van deze plek verdwenen.

Verschenen in cycling.be, maart 2015
Foto linksboven: Wouter Roosenboom

Tags: