Hoe een bacterie me uit het veld sloeg

NK TT finish Jos KafoeIk probeerde de signalen te negeren. Of me er in ieder geval niet druk over te maken. Te denken: ach, ik heb nog tijd. Om te rusten, te herstellen, me beter te voelen. Ik ben woensdag vast uitgerust. En fit. Maar ik was al sinds ik uit Spanje terugkwam moe. Hangerig. Slechte eetlust. Wel honger, maar zodra ik een hap nam had ik geen zin meer. De maagbacterie die ik op het waterige wegdek van Spaans Baskenland oppikte, had het kennelijk wel gezellig bij mij.

Goed, het werd wel iedere dag een beetje beter, maar de trainingen liepen niet. Vrijdag oefende ik op het parcours van het NK, maar mijn hartslag bleef maar laag terwijl ik het gevoel had dat ik alles gaf. Zaterdag reed ik als een dweil in de Ronde van Zuid Oost Friesland. Geen stress, zei ik tegen mezelf. Je hebt nog vier hele dagen om te supercompenseren. Komt goed. Maar ik bleef hangerig. Futloos. Zal ik misschien maar niet starten…? schoot het een paar keer door m’n hoofd. Nee joh. Niks aan de hand. Woensdag voel je je goed, let maar op.

Het NK-rondje in Winsum was namelijk wel echt een rondje voor mij: niet zo technisch, gewoon gas geven. Dat kan ik, bleek in maart al in de Energiewacht Tour, toen ik op praktisch hetzelfde rondje derde Nederlandse werd. Ik ging er niet vanuit dat dat nu weer zou lukken, maar een top-5 positie leek me toch wel haalbaar. Bij een goede dag.

Maar toen ik het startpodium af rolde en aanzette, voelde ik het al. Nee. Geen goede benen. Och, dacht ik nog, je moet gewoon even warm draaien. In de daaropvolgende kilometers bleek dat niet de kwestie. Mijn benen deden meteen pijn. En dan niet de pijn van de power die eruit komt. Die power was er gewoon niet. Af en toe wierp ik een blik op mijn hartslag. Nope. Ging niet hoog genoeg. Hoe ik ook probeerde. En de versnelling die ik draaide was minstens twee tanden kleiner dan wat ik normaal rond krijg. Kom op! Je kunt het! Kom op!, herhaalde ik steeds maar op het ritme van mijn hijgen. Ik schakelde bij, probeerde te versnellen. Maar het ging niet. Mijn benen leken wel van taaie kauwgom.

De finish was een regelrechte verlossing. Kwijl droop van mijn kin. De inhoud van mijn maag kwam omhoog, ik kon het niet terug slikken en maakte vlekjes kots op mijn pak. Zelden heb ik zo afgezien, ondertussen wetende dat het zinloos was. Ik finishte als 13de. Zo’n beroerde tijdrit heb ik nog nooit gereden. Zelfs vier jaar geleden niet, in mijn eerste jaar als wielrenster, toen het NK mijn allereerste tijdrit ooit was, op een fiets die ik helemaal niet kende en waarop ik vierkant door de bocht ging.

Zelfs al is er een duidelijke verklaring voor deze prestatie ver onder mijn niveau, ik heb mezelf wel even een paar uur uitgescholden. Loser. Met je smoesjes. Ga je diep schamen. Daarin blijven hangen heeft weinig zin natuurlijk. Laat ik m’n energie maar richten op herstellen, proberen goed te eten en hopen dat het zaterdag in Kerkrade beter gaat. Fingers crossed!

Foto: Jos Kafoe

Fiets met me mee!

Wil je ook zo’n cool wielertruitje? Fiets dan volgende week zondag met me mee over de Utrechtse Heuvelrug. Voor Right To Play. Jij maakt een prachtig tochtje, krijgt deze kick ass trui en twee kinderen in Kenia kunnen een jaar lang sporten en spelen. Mooie deal toch?

right to play koersshirtaffiche right to play

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Klik op het affiche voor meer info en meld je snel aan! Dat kan hier. Tot zondag!

Aapjes kijken

aapjes kijken op de MuurLangzaam rolt de ploegleiderswagen tussen de drentelende mensen bovenop de Muur van Huy door. De toeschouwers turen naar binnen, in onze auto, recht in mijn gezicht. Het is een wagen van Lotto-Belisol die voorbij komt, dus je weet maar nooit welke bekende renners daarin zitten. Zou de teleurstelling groot zijn als ze in plaats van Jelle Vanendert en Tosh Van Der Sande een stelletje vrouwen in de auto zien, vraag ik me af.

We komen bij de plek waar onze materiaalbus al staat, achter dranghekken waar zich al aardig wat mensen hebben verzameld, fotocamera’s in de aanslag. Voor het busje staan klapstoelen op een rij. Dit is onze plekken om ons voor te bereiden op de koers. Een bus of een camper hebben we niet, net als de meeste vrouwenploegen. Wij zitten gewoon buiten tot de koers begint. Als het regent zetten we een partytent op, als het koud is doen we een winterjas aan of blijven we in de auto zitten. Plassen doen we in kroegen of op openbare toiletten, indien beschikbaar. En anders zoeken we gewoon een beschut hoekje buiten op.

Zoveel publiek als vandaag is niet gebruikelijk. Ik zit op mijn klapstoel en vind het te gek, maar voel me ook net een aapje. De mensen achter de dranghekken volgen elke beweging die ik maak, alles wat ik doe. Ik wil mijn zweetshirtje verwisselen voor een dunnere en kleed me onder tientallen blikken uit tot op mijn sportbh. Als wielrenster moet je niet al te preuts uitgevallen zijn.

Een voor een komen de voornamelijk oudere mannen nader. Ze hebben ontdekt dat ze fotokaarten van ons kunnen krijgen en dat we die tussen het aantrekken van koersschoenen en het oliën van benen door natuurlijk met een glimlach signeren. Tot mijn verrassing krijg ik telkens een foto van mezelf onder mijn neus. Dat is ook wel eens anders. In een vorige koers duwde een man me de foto van mijn hoogblonde ploeggenote Celine van Severen onder de neus. “Ben jij dit?” Ik keek hem vol ongeloof aan. Was dit een grap? “Nee, niet echt”, zei ik. De man pakte de rest van de kaarten erbij en hield ze voor mijn neus. “Welke ben jij dan?”

Natuurlijk ben ik heel blij met onze fans. Zonder fans geen wielrennen, immers. Maar dit soort dingen blijven toch een tikkie vreemd. Het gebeurt regelmatig dat ik een kaartenset in mijn handen gedrukt krijg met de vraag ‘welke ik ben’. Niet ‘wie’. Nee, ‘welke’. Waarom wil je een handtekening van een renster van wie je geen flauw benul hebt wie ze is, vraag ik me dan af. Daarbij is het ook echt niet zo dat ik niet op mijn foto lijk. Als je de foto’s even bestudeert, heb je mij er zo uitgepikt. Naast vriendelijk glimlachen frons ik op dat soort momenten dus ook altijd een beetje. Hoe zien deze mannen ons, vraag ik me dan af. Als mensen? Of als objecten?

Het kan altijd gekker. Zoals een paar jaar geleden in Zweden. Daar wilden we na een natte koers zo snel mogelijk wat droogs aantrekken in zo’n eerder genoemde partytent. Dat bleek de aanwezige Zweedse fans niet te deren. Ze kwamen zonder pardon de tent binnen wandelen met een notitieblokje en een pen. Of wij allemaal even een handtekening wilden zetten – terwijl wij daar in onze blote kont stonden. De heren trokken zich niet verschrikt terug zoals je zou verwachten, nee, ze bleven dralen en aandringen. Alsof het de normaalste zaak van de wereld was om tussen zes schaars geklede meiden te staan. Zelfs op onze vraag of ze alsjeblieft even weg wilden gaan tot wij omgekleed waren, reageerden ze niet. Gelukkig bonjourde ons begeleidingsteam de heren uiteindelijk de tent uit. Ook hier vroeg ik me af: wat zijn wij voor deze mannen? Toch iets heel anders dan gewoon een paar vrouwen, lijkt me, want anders doe je toch niet zo?

Nu, bovenop de Muur, staar ik terug naar de toeschouwers die achter de dranghekken naar ons kijken en ons fotograferen. Wat zouden ze zien? Wat zouden ze denken? Zouden ze zich wel eens afvragen hoe het is om aan onze kant te zitten? Ik pak mijn telefoon uit mijn tas en maak een foto van de fotograferende mensen. Zo, denk ik. Gelijkspel.

Verschenen in cycling.be, mei 2013

Tags:

Dalen als Bradley Wiggins

etalageraamHadden de weergoden in de eerste etappe nog genade met ons, in de tweede etappe halen ze vol uit. We starten droog, in de idyllische straatjes van Aretxabaleta. Zo gauw we het dorpje uit rijden, steekt een stormachtige wind op. Donkere wolken razen langs het zwerk, het lijkt nacht te worden. Ik demarreer op kilometer 0. We willen de koers vanaf het begin hard maken, dus laat ik daar maar mee beginnen dan.

We hebben storm in de rug en rijden de eerste veertig kilometer in vliegende vaart. Het peloton is nerveus, er zit een grote draaikolk in: het ene moment rij je op kop, het volgende moment vind je jezelf helemaal achteraan terug. De lucht wordt nog donkerder. Het bliksemt ver weg en dichtbij. Zo nu en dan voelen we grote druppels.

Op de tweede beklimming wordt de koers grimmig. Mijn ploeggenoot Carlee blijft maar aanvallen en ze trekt het peloton helemaal uit elkaar. Ik wil haar helpen, maar telkens als ik bijna vooraan ben en een demarrage in wil zetten, gaat zij er alweer vandoor. Op de top barst de hemel open.

Voor de start kregen we een briefje van de organisatie dat deze afdaling bijzonder gevaarlijk is. Dat lijkt mee te vallen: de weg is breed en de bochten zijn niet scherp. Maar de toornige weergoden hebben goed getimed: de regen maakt een ijsbaan van het asfalt. De hele afdaling ligt vol olie, of beter: snot. Zo glad. Een voor een kegelen rensters onderuit. Ik zie het voor me gebeuren en wil voorzichtig afremmen. Voel mijn achterwiel slippen, maar blijf overeind.

Ik probeer zo min mogelijk te remmen en stuur maar de buitenkant van een bocht, beducht voor rensters achter me die ongetwijfeld ook zullen vallen, maar er is geen houden aan. Ik glij ook onderuit. Niet hard, want ik sta al bijna stil, maar m’n ketting ligt eraf. Ik probeer ‘m er uit alle macht weer op te krijgen, maar het lukt niet. Rensters rijden, glijden en vallen me voorbij. Het lijkt die etappe uit de Giro wel, waarin zo’n beetje iedereen onderuit schoof.

Eindelijk komt de ploegleiderswagen langszij. Mechanieker Yves stapt uit en glibbert bijna op z’n kont, zo glad is de weg. Hij helpt me met m’n ketting. Ik stap weer op. “Niet duwen!”, roep ik hem toe. Hij kijkt wel uit. Ik moet nog flink wat gladde bochten door, ik lijk wel een slak. Wat zeg ik? Ik lijk Bradley Wiggins wel in die bewuste Giro-etappe.

Intussen gaan de hemelkranen nog een beetje verder open. Om de zoveel tellen baadt het druipende landschap in spookachtig licht van de bliksem. De donder rolt diep door de vallei waar ik nu in rij. De weg is veranderd in een rivier. Ik blijf water uitspugen. Het begint te hagelen. Ik sluit aan bij een groepje rensters, een van de achterste groepjes, weet ik. Ik heb te lang met mijn ketting staan prutsen om nog vooraan te geraken.

Langzaam wordt de regen minder. Gezusterlijk rijden we de etappe uit. Geen risico’s. Tien, twintig of dertig minuten achterstand: het maakt nu niet meer uit. Maar verdorie, wat zou het fijn zijn als de weergoden het vrouwenpeloton eindelijk eens écht goedgezind worden.

Groene zeep

regen BiraNa een hele dag mooi weer betrekt de lucht als we naar de start van de eerste etappe van de Bira rijden. Zodra we ons op de grote parkeerplaats in Durango geïnstalleerd hebben, rolt de eerste donderslag door de heuvels. Nog geen minuut later vallen er dikke druppels. We vluchten de auto in, net op tijd, want de hemel valt op ons neer. Grommende donder, bliksem, hagelstenen zo groot als kiezels. De parkeerplaats verandert binnen mum van tijd in een zwembad. En de regen houdt maar aan. Een kwartier voor de start zitten we nog steeds in de auto, half omgekleed, te wachten tot de zondvloed eindelijk ten einde komt.

En dan is het plotseling droog. Tenminste, er valt geen water meer uit de lucht. De wegen zijn kletsnat en de wolken hangen zwaar op de Baskische bergflanken. We rijden door diepe plassen, er lopen riviertjes over de straten. En het asfalt is spekglad. Dus het kan niet uitblijven: bij het indraaien van een smal weggetje glijdt het halve peloton onderuit. De rensters die een voet aan de grond zetten blijven ook ternauwernood overeind; het lijkt wel of iemand groene zeep op de weg heeft gesmeerd.

Ik zie onze kopvrouw Ashleigh opkrabbelen en stop. Help haar op de fiets en duw haar weer op gang. Het is een cruciaal moment in de wedstrijd, want we zijn aan de voet van het pittigste klimmetje van de dag. Ashleigh spurt er vandoor. Inmiddels is de ploegleiderswagen naast me gestopt, mechanieker Yves is in verwarring. “Wat is er met je fiets?” “Niets! Ik stopte om Ashleigh te helpen!” “Is er niks met je wiel?” “Nee!” Ik klim op mijn fiets en Yves geeft me een duw.

Door de noodstop slaat de klim meteen in mijn benen. Ik zie het peloton een stukje voor me rijden. Dat moet ik toch redden, om daar weer bij te komen. Ik ga op de pedalen staan en – zwwwwp zwwwp! – mijn achterwiel slipt meteen weg. De groene zeep lag kennelijk niet alleen onderaan in de bocht. Ik ga weer zitten. De ploegleiderswagen komt langzij. “Neem een drinkbus mee voor Ashleigh! Ze verloor de hare!”, roept Yves me toe en hij reikt me een bidon aan, net op het moment dat ik terug wil schakelen naar het kleine blad. Ik pak de bidon en schakel niet. Wat niet handig is. Stoempend bereik ik de top van het eerste deel van de klim.

Ik duw de bidon onder mijn trui, schakel terug en zie de weg om de bocht als een muur voor me oprijzen. Het peloton is al halverwege en ziet eruit als een langgerekt lint. Het gaat hard. Ik moet maken dat ik erbij kom, anders is het te laat. Ik ga opnieuw staan om aan te zetten en voel mijn achterwiel weer slippen. Dit heeft geen zin. Eigenlijk is het te steil om te blijven zitten, maar ik heb weinig keus. Ik hark naar boven en kom meter voor meter dichterbij het peloton – of tenminste, het groepje dat heeft moeten lossen en er net achter rijdt.

We gaan de afdaling in. Nat, glad. Het gaat hard. In elke bocht strekt het peloton zich nog verder uit. De rensters achteraan – ik dus – hebben het moeilijk. Kriskras over een industrieterrein. In elke bocht glijdt er wel iemand op z’n gat. Waarom gaat het zo hard, vraag ik mezelf wanhopig af. Dan zie ik het bord: 1 kilometer tot de tussensprint. Aha. Nog even op de kiezen bijten, spreek ik mezelf toe, over een kilometer valt het vast stil. En dat doet het. Tot mijn grote opluchting.

Nadat de etappe in een massasprint is geëindigd, we omgekleed in de auto zitten en opgewonden praten over hoe belachelijk glad het vandaag was, gaan de hemelsluizen opnieuw open. Kennelijk waren de weergoden ons toch een beetje goedgezind.