Omroepbericht

Met mijn voeten sta ik op de tegels van perron 4a. Mijn billen steunen op de rail langs de glazen wand rondom de opgang naar het perron. Toen ik net even opstond, zag ik dat mijn kont behoorlijk wat modder achterlaat.

Naast me staat mijn racefiets, onherkenbaar. Aan het stuur hangt een helm die ooit geelzwartgroen was en nu zwart.

Ik probeer wat zand uit mijn ogen te vegen, maar mijn handen en gezicht zijn zo vies dat het meer op modder verplaatsen dan schoonmaken neerkomt. Als ik mijn natte haar fatsoeneer, daalt er een regen van zand en kleverige bloesems voor mijn voeten neer.

Iedereen die het perron op komt staart naar me. De een wat langer dan de ander. Afgaand op de staat mijn benen en voeten kan ik wel raden hoe mijn gezicht eruit ziet.

Ik bestudeer de starende gezichten en probeer te raden wat ze denken. Arm kind, ze heeft het vast koud, zie ik op het gezicht van een oudere man met een grote rugtas. Ieeeeuww goor!, schreeuwen de blikken van drie zorgvuldig opgemaakte tienermeisjes. Niet in mijn trein…, vrees ik van het stuurse gezicht van een conducteur te lezen. Ik pak zo wel een krantje voor onder mijn bips, sein ik hem in gedachten toe.

Maar de meest voorkomende blik is er toch een van Wat heeft zij (is het wel een zij?) in ‘s hemelsnaam uitgespookt?! Met mijn eeuwige behoefte mezelf te verklaren, vooral als ik er naar normaal menselijke maatstaven bijloop als een rariteit, zou ik aan al die mensen wel willen uitleggen hoe het zit. Misschien moet ik de omroepinstallatie even gebruiken.

Dingdong.

Dames en heren.

Dat zwarte monster op perron 4a is in werkelijkheid een vrouw. Ze ziet er misschien verschrikkelijk uit, maar ze heeft gewoon een trainingskoersje gereden op een zeiknatte straat, onder druipende bomen, tussen wielen die niet alleen zand maar ook natte bloesems in haar gezicht spetterden.

Ze vindt het zelf ook een beetje gênant om er zo bij te staan. Normaal ziet ze er (echt waar!) een stuk meer ladylike uit. Maar nu dus even niet. Op de fiets van Zwolle naar Deventer ging prima ondanks de stortregen, maar na het koersje ook nog eens terug rijden, nat en koud, alleen, in de schemering, is net iets teveel van het goede. Vandaar dat ze hier modder staat te verspreiden.

Let vooral niet teveel op haar.

Dank u.

Duct tape en een gedeukt ego

Stel je voor dat je een vette Cervélo S2 met FFWD Wheels, Shimano Dura Ace, Rotor QRings en Speedplay onder je afgetrainde kontje hebt. En dat je dan dit op je stuur hebt:

Nou, dan schaam je je wel. Zeker als je in het startvak van Omloop der Kempen naast ene heer Schep staat, die er luid commentaar op geeft. Dat dit echt niet kan. Dat ik mijn fiets en mezelf te schande maak.

Ja, dat weet ik ook wel. Ik durf al bijna niet over straat zo, hou steeds schielijk mijn hand of jasje er een beetje voor, in de hoop dat niemand ziet dat ik mijn Powertap-computertje met duct tape op mijn stuur heb geplakt. Kun je je voorstellen hoe ik me voel als iemand er ook nog eens luidkeels de spot mee drijft.

Hahaha, probeerde ik met mijn rode wangen zijn opmerkingen weg te lachen, hahaha. Dubbelzijdig plakband? Ja, hahaha. Maar we moeten over kasseien. Dan blijft dat toch niet zitten? Hahaha. Stel je voor dat ‘ie valt, omkeren gaat niet tijdens de koers. Hahaha. En het is toch best een duur ding. Haha.

Ik wilde wel onder de straatstenen verdwijnen. Maar een betere oplossing weet ik ook zo een, twee, drie niet voor deze schaamtevolle situatie die al maanden aanhoudt. In februari ging het houdertje van mijn computer kapot. Ik speurde op internet, belde met Veltec, het bedrijf dat Powertaponderdelen levert, “maar nee, mevrouwtje, niet aan particulieren, alleen aan dealers”, ging naar de dichtstbijzijnde Veltec-dealer, maar “bestellen bij Veltec? Vergeet het maar, die zijn hartstikke onbetrouwbaar. Je kunt wachten tot je eens ons weegt en dan nog leveren ze niks” en bestelde dit kleine stukje plastic van ellende dan maar rechtstreeks in Amerika, via onder wielensponsor – die ook nog eens met Veltec belde en daar óók geen steek verder kwam omdat het houdertje wel op de website aangeboden wordt maar in feite niet op voorraad is – want dat gaat sneller dan als particulier, zeiden ze, en nu is het begin mei en zit ik nog stééds prutsend met duct tape en met steeds diepere deuken in mijn ego op een nieuwe computerhouder te wachten. Hoe moeilijk kan het zijn om een stuk plastic van een paar euro te leveren? Heel moeilijk, kennelijk.

Maar leg dat maar eens uit zonder je coolness te verliezen.

Klik hier voor de uitslag van de Grote Prijs Groenen Groep.

De groene Loekie

Dat van die groene Loekie in het vorige bericht is trouwens wel waar; die had ik echt. Zie hier het bewijs.

Ik kreeg hem toen ik drie jaar werd. Hij was helemaal ingepakt in van dat gele Intertoys-papier; ik had nog nooit zo’n groot kado gezien.

Ik kreeg ook nog een wit mandje met een bloem erop voor aan het stuur. En op de bagagedrager zat zo’n klem, waar je vingers zo fijn tussen konden komen, maar waaronder ik mijn pop met het zachte lijfje ook makkelijk kon vastklemmen en meenemen.

Volgens de familieverhalen reed ik een tijdje met zijwieltjes rond, maar wilde ik al snel zonder. Dus oefende ik op het veldje achter ons huis tot ik er letterlijk bij neerviel.

Ik herinner me nog die zeurende zin in huilen-brok in m’n keel, omdat ik steeds maar weer omviel, waarna mijn vader me weer op de Loekie zette, me een duwtje gaf en ik opnieuw omviel, met m’n knieën op het natte gras, of op m’n kop in de struiken.

Maar opgeven? Ho maar.

Ik ging net zo lang door tot ik zonder zijwieltjes fietsen kon. Volgens mij duurde het nog geen uur voor het zover was. Ik vond dat zelf een uur te lang; ik was een ongeduldige driejarige.

Ja. Dat herinner ik me nog goed.

 

Nostalgische herinneringen

De afgelopen uren heb ik meerdere schitterende verhalen gelezen over het ontstaan van de liefde voor wielrennen bij deze en gene. Doorgaans was de hoofdpersoon jong toen hij of zij gegrepen werd door de koers, in de categorie basisschoolleeftijd, of nog jonger zelfs.

Telkens als ik zulke verhalen lees, voel ik een steek van jaloezie. En tekortkoming. Want – ik durf het bijna niet toe te geven – mijn wielerliefde is van recente datum. Zeer recente datum, zoals vriend J. me vanavond tijdens het eten subtiel inpeperde.

Weet je niet meer dat ik een paar jaar geleden per se met je mee moest ergens naartoe, vroeg hij, op de dag van de Amstel Gold Race? Ik kon me dat echt niet meer heugen – wat eigenlijk al meer dan genoeg zegt. En dat ik op de terugweg in de auto de radio nog aanzette om de finish te horen, vervolgde J., omdat we te laat thuis zouden komen om het op televisie te zien? Op de vraag wanneer dat dan in godsnaam geweest moet zijn, antwoordde hij dat het een van de jaren was waarin Michael Boogerd weer eens tweede werd. Tussen 2003 en 2005 dus.

Het zal wel waar zijn. J. overdrijft graag, maar liegt nooit.

Ongelooflijk, als ik er zo op terugkijk, dat er tijden waren waarin de Amstel Gold Race me volledig koud liet. Zo koud zelfs dat ik J. kennelijk dwong zich dit prachtige schouwspel te ontzeggen om weet ik veel wat voor volstrekt oninteressants met mij te ondernemen. Ik kan me tenminste niet herinneren wat we gingen doen die dag, dus het kan onmogelijk iets groots en meeslepends zijn geweest.

De leegheid van mijn leven toen schokt me, om met de meester zelf te spreken.

Ik kan het proberen te ontkennen, of verhalen verzinnen, maar ik ben gesteld op eerlijkheid. Al lazer ik nu languit van mijn voetstuk, ik moet het toegeven: ik heb geen nostalgische verhalen over hoe ik als driejarige zonder zijwieltjes rondjes om het veldje achter ons huis crosste, of als zevenjarige spring in ‘t veld alle jongens uit de straat versloeg op m’n groene Loekie. Nee. Ik werd zo’n zes jaar geleden pas wielerfan. Door vriend J., die me uiteindelijk toch wist te overtuigen van de schoonheid van de sport. En voor ik het wist werd ik er helemaal door opgeslokt. Met huid en haar.

Ik haal de schade in. Maar kun je je met recht een wielerfan, of zelfs een wielrenner noemen, met deze armzalige persoonlijke geschiedenis? Eigenlijk ben ik een nepper. En jullie hebben het recht dat te weten, vind ik. Zo. Dat is eruit, voor eens en altijd. Ik hoop dat jullie het me vergeven, ooit. Hoe dan ook zal ik voortaan zwijgen over mijn tekortkomingen, want wat niet weet, wat niet deert, immers. Maar jammer blijft het wel. Ik had ook zo graag nostalgische herinneringen gehad.

What doesn’t kill you makes you stronger

Het waait hard en het is bloedheet. Het plan voor vandaag, de laatste etappe van Gracia Orlova waarin we zeven rondes van zeventien kilometer rijden, is als volgt: Sharon staat derde in het algemeen klassement en we willen haar daar graag houden.

Dat betekent nog een dag superscherp koersen, want de nummer vier staat op zeven seconden en de nummer vijf op dertien seconden achterstand. Extra complicerende factor: er zijn in twee tussensprints en op de finishlijn bonificatieseconden te verdienen. De nummers vier en vijf gaan zeker proberen die secondes te pakken, want dan zouden ze Sharon op de laatste nip nog voorbij gaan in het algemeen klassement.

Wij kunnen natuurlijk zelf gaan sprinten voor die bonificatieseconden, maar we kunnen ook kiezen voor de veilige en bovenal minder hectische weg: zorgen dat er een kopgroepje ontstaat met daarin een van ons en verder vrouwen die niet meer meedoen voor het algemeen klassement. Dat kopgroepje kaapt alle boni’s weg en de AA’tjes in het peloton hoeven enkel Sharon ongeschonden naar de finish te helpen.

De vrouw in de kopgroep heeft als allerbelangrijkste taak: haar gat eraf rijden, want de groep moet hoe dan ook wegblijven. Als de vluchters vlak voor de finish teruggepakt wordt, zitten we immers alsnog met de ellende van de bonificatieseconden op de meet.

Sharon heeft de rugnummers van de twee vrouwen die haar klassement nog om zeep kunnen helpen op haar arm geschreven, hoewel ze die nummers inmiddels dromen kan, maar je weet nooit. Voor de zekerheid. In het geval van een black-out. Wij bereiden ons intussen voor op een harde start van de koers, want we zijn vandaag vast niet de enigen die belang hebben bij een kopgroep. Iedereen ruikt kansen, het algemeen klassement ligt in de plooi en veel renster op forse achterstand kunnen alleen nog voor succes in deze etappe gaan.

Een kopgroep opzetten is in het geheel niet zo vanzelfsprekend als het op televisie lijkt. Het is echt niet zo dat we strootjes trekken of ienemienemutten om te beslissen wie er vantussen mogen gaan vandaag. Geenszins zelfs. Jullie zetten de tv pas aan als zo’n vlucht al uren een feit is, maar wat daaraan vooraf gaat is een slagregen aan demarrages, tot uiteindelijk een klein groepje wordt ‘vrijgelaten’ door het moe gestreden peloton.

De koers trekt zich dus verschroeiend hard in gang. Ik voel me verschrikkelijk slecht. Mijn maag protesteert, keert zich om, schreeuwt om stoppen met deze ellende. Maar stoppen, dat zit er vandaag echt niet in. Dus jammer maag, we gaan gewoon door. What doesn’t kill you makes you stronger, grom ik tussen mijn opeen geklemde kaken door. Na twee rondes rijdt er een grote groep weg. Te groot. De Lululemons zijn het er niet mee eens en zetten de achtervolging in, kop over kop. We komen dichterbij.

Als die groep teruggepakt wordt, zeg ik tegen mezelf, dan gaat het gebeuren. Dan rijdt de slag van de dag weg. Ik weet het zeker. We komen nog dichterbij. Mijn hele lichaam lijkt zich samen te trekken rond mijn maag als ik door de wind naar voren rijd. We gaan een bocht om, de wind blaast nu vol in onze zij, en we zijn bij de weggereden groep.

Dit is het moment. Ik heb nog vaart, zie niemand demarreren en ga dus zelf, buiten het peloton om, op het kantje zodat er niet teveel vrouwen in mijn wiel kunnen kruipen, hard, hard, harder. Ik kijk om. Drie, vier rensters volgen in mijn slipstream. Daarachter zie ik een gaatje. Ik rij door, trek door, vlieg de volgende bocht door en kijk weer om. Het gat is groter. Come on, help! roep ik tegen de meiden in mijn wiel. Ze aarzelen. This is the break! roep ik. Ik trek nog een klein eindje verder door en dan begint ons groepje aarzelend te draaien.

Een Oekraïense, een Australische, een Cipollini, een Lululemon en ik. We rijden de eerste kilometers heel hard. Of nou ja, vooral ik rij heel hard. Als het gat eenmaal geslagen is, neem ik wat gas terug en ontstaat er een evenwicht in de groep. De Australische, de Lululemon en ik wisselen elkaar snel af op kop, de Cipollini hangt alleen maar de lapzwansen in het laatste wiel en de Oekraïense heeft een brommer gegeten bij het ontbijt, blijkt nu.

Ik bedoel, met een voorsprong van twee minuten hoef ik niet per se continu met vijftig kilometer per uur over de Tsjechische wegen te denderen. De Oekraïense blijkbaar wel. Van mij mag ze. Hard hijgend kijkt ze iedere keer achterom waar ik blijf voor mijn aflossing, maar ik kom natuurlijk pas als zij stilvalt. Ik ben niet gek. We hebben nog vijftig kilometer te gaan en het is wel duidelijk: het peloton vindt het oké, wij blijven weg. Ons plan om Sharon op het podium te houden, is geslaagd.

Ik probeer de vorm van mijn medevluchters te peilen. De Oekraïense zit met haar krachten te smijten alsof ze er bergen van heeft. Het zal mij benieuwen, maar aan haar gehijg te horen zit ze zichzelf enorm op te blazen. Dom. Van waaier rijden begrijpt ze ook niet veel, want iedere keer weer moeten we haar toeschreeuwen dat ze aan de ándere kant van de weg moet gaan rijden.

De Australische en de Lululemon zijn moeilijker in te schatten. En wat betreft de Cipollini: die zit óf in het laatste wiel te wachten tot ze in de laatste kilometers een verschroeiende demarrage gaat plaatsen (leer mij die Cipollini’s kennen), óf ze is zo moe dat ze niks anders kan dan volgen. Scherpte is hoe dan ook geboden, straks, als we echt richting finish gaan.

Maar voorlopig draaien we rond en rond, kilometer na kilometer. Hoe opwindend het ook klinkt om in de kopgroep te zitten, het is eigenlijk hartstikke saai. Nog drie rondes. Liedjes in mijn hoofd doden de tijd. What doesn’t kill you makes you stonger… Nog twee rondes. De smalle hobbelweggetjes waar we storm tegen hebben zijn het irritantst.

Nog een ronde te gaan. Nu gaat het gebeuren. De maag die me in het begin van de koers nog zo in de weg zat, vult zich nu met kriebels. Ploegleider Bram komt naast me rijden. Niet te vroeg aangaan op de finishklim, roept hij me toe, want dan val je stil! Op de voorlaatste klim voel in dat mijn benen nog best oké zijn.

Nog vier kilometer te gaan. Nog drie. Daar gaat de Cipo! Zie je wel! Power zit er niet bepaald achter. De Lululemon springt achter haar aan, ik blijf in het wiel van de Oekraïense brommer, want die zal het gat zeker dichtrijden. En dat doet ze. Voorlaatste bocht. Ik blijf bij mijn gangmaker, in het tweede wiel, want ik weet zeker dat zij van onderaan de slotklim aangaat en dan zeer hoogstwaarschijnlijk stilvalt. De Australische en de Lululemon zijn explosiever in de sprint dan ik. Dus ik zal van ver, vanuit het wiel van de Oekraïense, moeten gaan en hopen dat ze er niet meer overheen komen.

Laatste bocht. De Oekraïense rijdt op volle kracht omhoog en valt op tweehonderd meter voor de finish stil. Ik schakel op en kom uit haar wiel. Shit, dat verzet is te groot voor een echte explosie. Ik rij weg, zie in de schaduwen op het asfalt dat ze in mijn wiel zitten en geef alles wat ik heb. Op twintig meter voor de meet sprinten ze langs me, de Lululemon en de Australische, maar ik blijf vol gaan, want ik wil absoluut als derde finishen. Dat lukt.

Ik denk Wow! en KUT! tegelijk: als ik beter geschakeld had was ik met een explosievere jump misschien wel losgeraakt van de anderen, had ik wie weet wel gewonnen, maar o wauw o wauw wat gaaf, mijn eerste podiumplaats in een internationale koers en kijk, daar wint Sharon ook nog de sprint van het peloton!

Ik ben niet dood, ik ben sterker. En een ervaring rijker. Een heel leerzame ervaring, voor als ik nog eens mag sprinten voor een podiumplek. What doesn’t kill you makes you smarter.

Klik hier voor de uitslag van de vierde etappe en het algemeen klassement van Gracia Orlova.

Foto: Karvinsky Denik