Een groep mannen in de tweede bocht van het Bavaria Profcriterium van Stiphout (juist ja, het rondje waar ook Contador, Schleck en Gesink vanavond acte de présence gaven – dat reden wij vanmiddag drieëndertig keer) had kennelijk besloten mij aan te moedigen.
Iedere keer als ik langs kwam, brulden ze eensgezind mijn naam. Een beetje flauw voor de rest van de meiden vond ik het wel. Slechts mij aanmoedigen, da’s natuurlijk niet zo aardig. Eigenlijk. Maar ja. Eén van de mannen, met fototoestel, had voor de start even met ploeggenoot M. en mij staan praten.
“Roze is wel in dit seizoen hè?”, had de man met het fototoestel opgemerkt. “Nou, niet alleen dit seizoen hoor”, meende ik grappig te wezen. “Jullie zijn wel met veel!”, vond fototoestelman. M. bekeek de rest van het peloton. “Dat zijn niet allemaal ploeggenoten hoor. Kijk maar, die meiden daar hebben andere pakjes.” “Ooooh, dat zijn neppers!”, zei de man. “Niet mijn tekst”, zei ik – maar ik moest er natuurlijk wel om lachen. “Ik reken erop dat jullie winnen hoor!”, zei hij en zwaaide met zijn toestel.
Ploeggenoot M. stond niet in het programmaboekje. Zij had zich pas vanmiddag ingeschreven. Ik wel. Nummer 47: Marijn de Vries. Dus voilà, naam en rugnummer bekend – dat nodigde fototoestelman en zijn vrienden kennelijk uit tot het luidkeels roepen van mijn naam.
Na een paar rondjes ontdekte ik er een patroon in. Reed ik in het peloton, dan brulden ze – enigszins afkeurend: “Kom oooooop Marrrrriiijn!!” Was ik net gedemarreerd of reed ik op kop, dan was het: “Goed zooooo Maarrrriijnn!!”
Na een rondje of wat kwam ik met m’n kiezen op elkaar geklemd door hun bocht, middenin de groep, uitblazend van een vluchtpoging. “Marrrriiiijn toe nou! Naar voooooren!”, riepen ze. Hm, dacht ik. Eigenlijk zou ik even moeten uitleggen dat ik nu hier zit omdat ik net nogal in actie ben geweest.
De volgende ronde was ik opnieuw gedemarreerd en werd ik met luid gejuich begroet toen ik solo door de bocht kwam zeilen. Ja ja, dacht ik. Juich nog maar even. Onder mijn arm door had ik namelijk al gezien dat het peloton op komst was. Ze lieten me niet gaan.
Bij de doorkomst daarop had het peloton me te pakken. De hele groep was in m’n wiel blijven hangen, hoewel ik m’n benen bijkans stil hield. We hielden nog net geen picknick in de bocht, zo traag ging het. Toch reageerden mijn gelegenheidsfans dolenthousiast. “Goed beeeeziiiiig Maaarriiijn!” riepen ze. Goed bezig? Helemaal niet goed bezig! D’r is niemand die even optrekt, zodat ik me een paar plaatsen kan laten zakken om dalijk opnieuw te kunnen demarreren. Zie dat dan! Grrr.
Na de laatste premiesprint lukte het ploeggenoot C. met een groepje weg te rijden. Ik zette me met een rustig gangetje (beter gezegd: een slakkengang) op kop van het peloton om C. wat ruimte te geven. Dat zullen fototoestelman en zijn vrienden toch wel opmerken, dacht ik. Nu krijg ik een fluitconcert en roepen ze dat ik tempo moet maken. Maar nee hoor. Omdat ik als eerste de bocht uit kwam, was enthousiasme opnieuw mijn deel.
De microfonist riep intussen dat maat C. naar een derde plek was gesprint. Mooi zo. Het peloton mocht strijden om de achtste plaats. Ik had drie premies meegepakt in de tussensprints en dacht: Winnen kan ik toch niet meer, ‘t is wel goed zo. Ik finishte als zevenentwintigste.
Mijn gelegenheidsfans heb ik na de streep niet meer gezien. Misschien maar goed ook, want een zevenentwintigste plek zouden ze vast geen reden tot juichen hebben gevonden. Terwijl ik zelf best tevreden was. Ik had, net als mijn ploeggenoten, aanvallend gekoerst. Dat had tot de podiumplek van C. geleid.
Maar ja. Dat op kop rijden niet altijd goed is en als zevenentwintigste eindigen ook best bevredigend kan zijn, is vaak nogal moeilijk uit te leggen.
Foto: sportfoto.nl