Ik ben wielrenster

Het is een geen geintje meer.

Precies twee jaar geleden reed ik hetzelfde oefenwedstrijdje als afgelopen dinsdag. Een rondje van twee kilometer door de polder bij Hasselt. Dijkje op, dijkje af, om het maisveld heen, over het bruggetje, langs de boerderij, dijkje weer op en dijkje weer af. Met de wind als extra tegenstander. Het was mijn derde koersje ooit.

Ook toen reed ik tussen de mannen (aan deze koersjes doen namelijk bijna alleen maar mannen mee, moet u weten). De mannen kunnen kiezen tussen twee niveaus: de A’s en de B’s. De A’s rijden sneller en langer dan de B’s. En hun eerste trappen na de bocht zijn wat feller; ze zijn bijna meteen weer op volle snelheid.

Twee jaar geleden was ik na vijf rondjes bij de B’s al gelost. Het waaide te hard. De bochten waren te moeilijk. De dijk was te smal. Ze gingen, kortom, te hard. Of ik ging te langzaam, zo u wilt.

Dinsdag reed ik tussen de A’s. Soms had ik na een bocht moeite om meteen weer op volle snelheid aan te haken bij mijn voorganger. Mijn benen zijn tenslotte niet zo explosief als die van wedstrijdrijdende collega’s van mannelijke kunne. Maar als er een gaatje viel, kon ik dat iedere keer weer dicht rijden. Van de wind had ik geen last. Die dijk bleek breed genoeg om hier en daar wat mannen in te halen. En anders lukte dat langs het maisveld wel. We finishten na anderhalf uur met een gemiddelde snelheid van 42 kilometer per uur. Ik was niet eens dood.

Goh, dacht ik. Ik ben echt veel beter dan twee jaar geleden. Heel veel beter.

Dat wist ik natuurlijk wel, maar soms zijn er van die momenten dat je daar echt even bij stilstaat. Zoals dinsdag, in dat rondje rond het maisveld. Mijn denken over mezelf is ook veranderd, langzamerhand. Op de vraag wat ik in het dagelijks leven doe, antwoordde ik twee jaar geleden dat ik journalist was. Daarna zei ik: journalist en wielrenster. Dat werd: wielrenster en journalist. En nu ben ik: wielrenster (die er een beetje bij werken moet).

Ik heb voor twee jaar bijgetekend bij Leontien.nl. Het is geen geintje meer. Maar wel een goede grap.

Foto: @harmjob

Groeten van twee Sjakies

Deze week is de Holland Ladies Tour, DE grote etappekoers voor vrouwen in ons eigen landje. Iedereen doet mee. Behalve wij.

Links: ziek. Rechts: werk.

Maar wíj mochten lekker met het zoontje van Michael Boogerd op de foto.

Koersbrak

Tsjonge. Wat had ik een slechte benen gisteren.

(‘Slechte benen’, zo heet dat als je niet vooruit te branden bent tijdens een wedstrijd, beste niet-wielerkenner. Als je de hele koers continu zo’n beetje achterstevoren op je fiets zit, je slechte benen met je meeslepend als een blok aan je… eh ja, been.)

Het was mijn laatste grote wedstrijd van het seizoen. Ik mocht tot mijn verrassing voor het eerst in mijn wielercarrière starten met nummer 1.

(Nummer 1 in een grote wedstrijd is meestal voorbehouden aan de titelverdedigster. Dat was ik niet, sterker, ik had de Omloop door Middag Humsterland zelfs nog nooit gereden. Met nummer 1 op je rug en op het plaatje onder je zadel, lijkt het net alsof je een heel goede wielrenster bent.)

De moraal was er dus. Zelfs om goed te rijden op een terrein waar ik me meestal niet zo prettig voel.

(Kale vlakte, smalle weggetjes, veel wind, nerveus duwen en trekken en draaien en keren.)

Het startschot klonk. Ik voelde het meteen, dat van die slechte benen. Ze schoten al na vijfhonderd meter vol zuur. Ik schrok ervan, knipperde twee keer met m’n ogen en zat voor ik het wist zo’n beetje achteraan in het peloton.

(Daar moet je niet willen zitten, beste niet-wielerkenners. Nooit. En al helemaal niet in windkoersen zoals deze. Bij zijwind gaat het peloton namelijk ‘op een lint’: helemaal vooraan rijdt een klein kluitje, zoveel mogelijk in elkaars windschaduw. Daarachter komt één lange sliert van rensters, zoveel mogelijk op het randje van de weg, zo goed mogelijk in elkaars spoor. Er zijn altijd rensters die het tempo niet aankunnen en een gat laten vallen. Daar moet je dus omheen, en je moet dat gat dichten. Drie, vier, vijf, dertig keer. Als je de ver achterin het peloton zit. Zoals ik.)

Ik was Sjaak Aanhaak. Het melkzuur kwam m’n oren uit. Als er nog een gat viel, zou ik echt niet meer kunnen aanhaken, dacht ik continu. Ik keek kennelijk zo grimmig dat men mij steeds maar weer vroeg of het wel ging. Nee, gromde ik dan terug. Scheel hing ik in het laatste wieltje.

We gingen de laatste ronde van drieëntwintig kilometer in. Er was een kopgroep van tien, met daarbij ploeggenoot C. en ploeggenoot M. Voor ons Leontientjes in het peloton zou het nogal uitmaken op welke plek we finishten: we konden als ploeg namelijk nog de Nederlandse topcompetitie winnen.

Het peloton viel stil. Iedereen spaarde zich voor de eindsprint. Ik wist: die sprint dalijk, dat is niks voor mij. Als ik goed wil finishen, moet ik proberen weg te rijden uit het peloton. Ik wist ook: als ik dat zou doen, werd het de dood of de gladiolen.

Waarschijnlijk de dood. Gezien mijn slechte benen.

Ik zat eindelijk goed, op rij twee. De renster voor me reed op het randje van de weg. Ik kon er dus niet langs. Over haar schouder tuurde ik naar een uithammetje, zodat ik er even snel langs zou kunnen glippen. Er kwam geen uitham. Maar wel een brug. Daar zou ik gaan.

We reden het bruggetje op, de weg werd wat breder. De renster voor me hield haar lijn. Er was ruimte links van haar. Nu.

Ik ging staan, zette aan en schakelde. Nog een keer. En nog een keer. Ik keek om.

(Niet omkijken! Schreeuw ik altijd naar de tv als er een renner uit het peloton ontsnapt is. Omkijken is een teken van zwakte. Een teken dat je niet in je ontsnapping gelooft. Toch keek ik om.)

Ik had een gat. Ik keek nog een keer. Het peloton was een lint: daar werd tempo gemaakt om mij terug te halen. Rechts van de weg stond een bordje. 5 kilometer stond erop. Ik kreunde inwendig. Nog vijf kilometer! Mijn benen brandden.

Daar zag ik ineens een renster voor me. Ze was uit de kopgroep gewaaid. Ik versnelde en reed haar voorbij. 3 kilometer. Ik kon het niet laten en keek nog een keer om. Het gat bleef een gat.

Daar de brug, daar het bordje 1 kilometer. Daar de finish. Gladiolen!

(Ik finishte als negende. We wonnen het ploegenklassement van de topcompetitie. Individueel werd ik nog zestiende in diezelfde competitie, ontdekte ik vanochtend. Not bad. Not bad at all.)

Vandaag ben ik brak. Ik voel me alsof ik een hele nacht gefeest heb, op hoge hakken, met veel sigaretten en alcohol. U weet wel: pijnlijke benen, droge mond, watten in het hoofd. Maar ik heb niet gedanst en geen druppel gedronken. Ik ben brak van het afzien.

Koersbrak.

Foto: Ottie.nl

Schuilen onder de jurywagen…

… wachten op de huldiging.

(We wonnen gisteren met onze ploeg het ploegenklassement van de topcompetitie. We hadden tegen alle verwachtingen in drie en een half uur droog gekoerst in Middag Humsterland. Maar vlak na de finish, tijdens de prijsuitreiking, begón het toch te plenzen. Gelukkig konden we schuilen onder de wagen van de jury.)

Foto: Ottie.nl

Stink-oma

Met die pleurisregen ontkom je er niet aan: de Tacx-hometrainer. Liever had ik ‘m nog even ongebruikt gelaten tot het echt herfst is, maar helaas. Mezelf binnen dertig seconden tot op de draad nat laten regenen, dat is me toch echt wat te gortig.

Nadeel van Tacxen in de slaapkamer met relatief hoge temperaturen, is dat je zelfs met alle ramen en deuren tegen elkaar open nog zit te zweten als een otter. Ben je dus alsnog binnen de kortste keren doorweekt.

En nu moet de slaapkamerdeur ook nog eens dicht. Want anders stinkt het als de hel in onze master bedroom. Dat komt zo.

Vriend J. heeft al zo lang ik hem ken een plant. Het is me toch een lelijk ding. Maar aangezien J. de plant van zijn reeds lang geleden overleden oma geërfd heeft, moet ik haar wel met enige egards behandelen. In ieder geval kan ik ‘oma’, zoals we haar voor het gemak noemen, niet zomaar het huis uitgooien.

Ik hoop dat er destijds beter voor J.’s echte grootmoeder gezorgd werd dan J. thans voor haar plant doet. Het ding staat al zo lang wij in dit huis wonen stof te vangen in een hoekje op de overloop, zonder dat J. haar noemenswaardige aandacht, laat staan liefde, geeft.

Zo eens in de twee, drie maanden loopt J. met een eierdopje water de badkamer uit. “Zo, ga je oma water geven?”, vraag ik dan steevast. “Leeft ze nog?” Oma leeft altijd nog. Ze is een taaie, de eenzaamheid inmiddels wel gewend.

Drie weken geleden dacht ik even dat oma toch de geest had gegeven. Er hing namelijk een weeiige lucht op de overloop. Een lucht die door merg en been ging en die nog uren in je neus bleef hangen, zelfs al was je al lang niet meer op de overloop.

Met dichtgeknepen neus liep ik op oma toe. Ze bleek niet dood. Integendeel. Er waren bloemetjes aan haar lelijke takken ontsproten. Best mooie bloemen om te zien. Maar stínken dat ze deden!

En nu Tacx ik dus met de slaapkamerdeur dicht. Om de allesdoordringende lucht van oma tegen te houden.

Ik moet zeggen: oma’s wraak mag er zijn. Ze bloeit nu al drie weken haar stank van zich af. Negeren kunnen we haar niet meer. Als ik haar nu eens wat extra eierdopjes water geef, zullen de bloemetjes dan dood zijn als het dalijk donker herfstweer is en ik echt weer veel op de Tacx moet?

Terugluisterservice

Het gesprek van vanmiddag op Radio 1 gemist? Geen nood.

Het is hier terug te luisteren.

En voor een ieder die na het horen van de audiofragmenten in het gesprek nieuwsgierig is geworden naar de radiodocumentaire die ik over mijn eerste ervaringen in de wielerwereld maakte:

Luister hier.

Wraak op de radio

Heeft u morgen tussen 14.30 uur en 15.00 uur even niks te doen? Mooi. Stem dan af op Radio 1. Ook als u nu oude koek denkt, en: dat verhaal ken ik al. Want het wordt vuurwerk.

Dat komt zo. M., de presentator van dienst, vindt dat ik gek ben.

M. en ik kennen elkaar al jaren. Eerst als collegaredacteuren bij Radio 1, later als vrienden. Het was eigenlijk niet de bedoeling dat hij mij zou interviewen, maar de vaste presentator bleek verhinderd. En M. doet al het invalwerk.

Al sinds het prille begin van mijn fietscarrière pepert M. me regelmatig mijn gestoordheid in. Ik sluit niet uit dat dat ermee te maken heeft dat ik hem ooit een bijna-hartaanval heb bezorgd toen we eens samen van Utrecht naar Hilversum fietsten. Hijgend en piepend kwam M. in Hilversum aan. Vele onderzoeken op de afdeling cardiologie later bleek het slechts om geïrriteerde spieraanhechtingen te gaan. Gelukkig.

Maar het hele fietsgebeuren ging M. niet in de koude kleren zitten. De ondertoon van het gesprek zal er daarom vast eentje van wraak zijn.

Ons laatste samenzijn stond in het teken van het woord ‘waarom’. Als een kleuter in de waarom-fase bleef M. dat ene woord maar herhalen. Hij nam geen genoegen met ‘Omdat ik het leuk vind’, ‘Omdat ik het wil’, ‘Omdat ik het beste uit mezelf wil halen’, ‘Omdat ik wel van een uitdaging hou’, of met welke reden dan ook.

Ik denk dus dat zijn doel is morgen éindelijk te doorgronden waarom ik twee jaar geleden op de fiets ben gestapt en er niet meer vanaf ben gekomen.

Ja mensen. Laat heel dat idee van onafhankelijke journalistiek maar varen. Hilversum is een klein wereldje. Maar M. en ik beloven: we maken er een mooi gesprek van. Luister en huiver!

Met ballen en piek

Buien en wind: het weer doet herstig aan. De pepernoten zullen wel weer bijna in de schappen liggen. Maar jongens: dit hoeft toch niet? Het is nog niet eens september!

23 augustus 2010, Zwolseweg, Heerde.

Bij Koos en Lars in bed

Kijk. Deze lijstjes hangen dus in hotels waar renners slapen.

Hoewel ik dit jaar al vele malen in het heerlijke Van der Valk in Maastricht heb geslapen, zag ik ze dit weekend voor het eerst. Gek, want ik zit wel vaker tegelijk met de Rabo’s in de Toekan.

De lijstjes hingen er gewoon in het openbaar. Iedereen kon ze zien. Ook alle andere hotelgasten. Sterker nog, je kon er niet omheen: bij elke liftingang, op iedere verdieping en op vele kamerdeuren hingen dergelijke lijsten. Niet alleen van de Raboploeg, maar ook van Lampre en Saxo Bank. Allemaal in Maastricht aanwezig vanwege de Eneco Tour.

Opstoppingen bij de lift ontstonden niet ten gevolge van drukte, maar omdat alle weekendje weg-mensen met hun neus op de lijstjes stonden. “Kijk, Jens Voigt slaapt bij ons op de verdieping”, smoesden ze met elkaar. “En Erik Breukink ook! Oh ssst, daar komt ie net aan…”

Ik gaf de weekendje weg-mensen groot gelijk met hun gesnuffel. Heel leerzaam, die lijstjes. Ik heb ze ook ongegeneerd bestudeerd. Al was ‘t alleen maar om erachter te komen wie elkaars slapies zijn. Om te zien dat Rick Flens alleen sliep – ook ongezellig. Of zou ie heel hard snurken en daarom een eigen kamer hebben? Ook zag ik dat ik de nacht schuin tegenover Lars Boom en Koos Moerenhout zou doorbrengen.

Fascinerend.

Bij Saxo hadden ze zelfs speciaal een extra kamer geboekt, stond op het lijstje, niet voor een renner of een begeleider, maar voor het eten. Food room, stond erop. Terwijl de Saxo’s gewoon in de ontbijtzaal zaten te eten, vanochtend. Oké, ze hadden wel een ritselbox (een kist vol gezonde etenswaren waarvan je maar nooit weet of ze al dan niet in een hotel aanwezig zijn) bij zich, maar die was niet zo groot dat je er een hele kamer voor nodig hebt.

Hoe dan ook.

Gezien mijn verbazing begrijpt u al: als wij in een hotel overnachten, dan hangen daar nooit lijstjes met onze kamernummers zo in alle openbaarheid. Eigenlijk ben ik daar wel blij om. Want je weet maar nooit wie er na bestudering van de lijst ineens aan je deur staat. Ik had tenslotte zomaar tussen Koos en Lars in kunnen kruipen.

Wie de sok past

Vanochtend besteeg fietsmaat X., in Zwolle en omgeving bepaald niet ten onrechte beter bekend als De Beuker, tevens Open Fries Kampioen, zijn stalen ros met een paar babyroze sokjes aan.

Solidariteit. Mooi.