Next stop: Vårgårda

Mensen!

Ik ben even weg. Naar het land waar de zon nooit zakt. In de zomer althans. U raadt het al: ik ga naar Zweden.

Vrijdag rijden we daar een ploegentijdrit en zondag een wereldbekerwedstrijd. In en rond de plaats die luistert naar de schone naam Vårgårda.

Vooral die rondjes op de a vind ik mooi – maar dat geheel terzijde.

In geval van wifi in ons hotel kunt u een tussentijdse update tegemoet zien. Bij wifiloosheid zult u tot maandag moeten wachten om te vernemen hoe het mij vergaan is.

Doei!

Gelegenheidsfans

Een groep mannen in de tweede bocht van het Bavaria Profcriterium van Stiphout (juist ja, het rondje waar ook Contador, Schleck en Gesink vanavond acte de présence gaven – dat reden wij vanmiddag drieëndertig keer) had kennelijk besloten mij aan te moedigen.

Iedere keer als ik langs kwam, brulden ze eensgezind mijn naam. Een beetje flauw voor de rest van de meiden vond ik het wel. Slechts mij aanmoedigen, da’s natuurlijk niet zo aardig. Eigenlijk. Maar ja. Eén van de mannen, met fototoestel, had voor de start even met ploeggenoot M. en mij staan praten.

“Roze is wel in dit seizoen hè?”, had de man met het fototoestel opgemerkt. “Nou, niet alleen dit seizoen hoor”, meende ik grappig te wezen. “Jullie zijn wel met veel!”, vond fototoestelman. M. bekeek de rest van het peloton. “Dat zijn niet allemaal ploeggenoten hoor. Kijk maar, die meiden daar hebben andere pakjes.” “Ooooh, dat zijn neppers!”, zei de man. “Niet mijn tekst”, zei ik – maar ik moest er natuurlijk wel om lachen. “Ik reken erop dat jullie winnen hoor!”, zei hij en zwaaide met zijn toestel.

Ploeggenoot M. stond niet in het programmaboekje. Zij had zich pas vanmiddag ingeschreven. Ik wel. Nummer 47: Marijn de Vries. Dus voilà, naam en rugnummer bekend – dat nodigde fototoestelman en zijn vrienden kennelijk uit tot het luidkeels roepen van mijn naam.

Na een paar rondjes ontdekte ik er een patroon in. Reed ik in het peloton, dan brulden ze – enigszins afkeurend: “Kom oooooop Marrrrriiijn!!” Was ik net gedemarreerd of reed ik op kop, dan was het: “Goed zooooo Maarrrriijnn!!”

Na een rondje of wat kwam ik met m’n kiezen op elkaar geklemd door hun bocht, middenin de groep, uitblazend van een vluchtpoging. “Marrrriiiijn toe nou! Naar voooooren!”, riepen ze. Hm, dacht ik. Eigenlijk zou ik even moeten uitleggen dat ik nu hier zit omdat ik net nogal in actie ben geweest.

De volgende ronde was ik opnieuw gedemarreerd en werd ik met luid gejuich begroet toen ik solo door de bocht kwam zeilen. Ja ja, dacht ik. Juich nog maar even. Onder mijn arm door had ik namelijk al gezien dat het peloton op komst was. Ze lieten me niet gaan.

Bij de doorkomst daarop had het peloton me te pakken. De hele groep was in m’n wiel blijven hangen, hoewel ik m’n benen bijkans stil hield. We hielden nog net geen picknick in de bocht, zo traag ging het. Toch reageerden mijn gelegenheidsfans dolenthousiast. “Goed beeeeziiiiig Maaarriiijn!” riepen ze. Goed bezig? Helemaal niet goed bezig! D’r is niemand die even optrekt, zodat ik me een paar plaatsen kan laten zakken om dalijk opnieuw te kunnen demarreren. Zie dat dan! Grrr.

Na de laatste premiesprint lukte het ploeggenoot C. met een groepje weg te rijden. Ik zette me met een rustig gangetje (beter gezegd: een slakkengang) op kop van het peloton om C. wat ruimte te geven. Dat zullen fototoestelman en zijn vrienden toch wel opmerken, dacht ik. Nu krijg ik een fluitconcert en roepen ze dat ik tempo moet maken. Maar nee hoor. Omdat ik als eerste de bocht uit kwam, was enthousiasme opnieuw mijn deel.

De microfonist riep intussen dat maat C. naar een derde plek was gesprint. Mooi zo. Het peloton mocht strijden om de achtste plaats. Ik had drie premies meegepakt in de tussensprints en dacht: Winnen kan ik toch niet meer, ‘t is wel goed zo. Ik finishte als zevenentwintigste.

Mijn gelegenheidsfans heb ik na de streep niet meer gezien. Misschien maar goed ook, want een zevenentwintigste plek zouden ze vast geen reden tot juichen hebben gevonden. Terwijl ik zelf best tevreden was. Ik had, net als mijn ploeggenoten, aanvallend gekoerst. Dat had tot de podiumplek van C. geleid.

Maar ja. Dat op kop rijden niet altijd goed is en als zevenentwintigste eindigen ook best bevredigend kan zijn, is vaak nogal moeilijk uit te leggen.

Foto: sportfoto.nl

Hier kom ik weg

Ik had mijn ouders al een poos niet gezien, dus het was hoog tijd voor een tochtje naar mijn geboortegrond vandaag. Om in de stemming te komen, besloot ik Daniël Lohues op mijn iPod aan te zetten. Bij Dedemsvaart al. Sorry, Overijsselnaars.

Zo giet dat hier, zo giet dat hier
Sperciebonen, appelmoes
En ’s weekends an de bier

Zonovergoten Drenthe. Koeien liggen loom in de wei. Het maïs staat al weer hoog, een teken dat de zomer vordert. Ik kom geen mens tegen op de binnenweggetjes die ik neem. Dit zijn geen fietspaden, maar klinkers. Eindeloze stroken klinkers. Zoals overal in Drenthe. Soms kan ik er zo van genieten om daar met een grote versnelling overheen te dokkeren.

Zo giet dat hier, zo giet dat hier
Koren in de kerke, op het laand en op de meuln

Ik stuiter langs een gouden graanveld Dalen binnen. En denk aan Karsten Kroon. Hij deed mee, maar ik heb hem de hele Tour niet gezien. Hij heeft hier heel wat kilometers liggen. Wat was zijn favoriete rondje, toen Karsten nog in Dalen woonde?

Ik weet alleen dat hij zijn snelheid trainde bij zijn vader achter de auto, langs het Coevorderkanaal. Daar fiets ik ook vaak, maar vandaag laat ik het links liggen. Het asfalt is er supersnel, maar de omgeving is ontzettend lelijk. Vandaag heb ik meer zin in mooi en langzaam.

Via Holsloot kom ik bij de Jongbloedvaart. Nog een paar kilometer en ik ben er. Hoewel ik Daniël Lohues bewust heb aangezet, begint hij op dat moment stomtoevallig te zingen:

Je moeten der van hoaln, dat is wat ik doe
Bekend terrein, vrumd genog
Hoe ‘t rök en vuuld, hoe het lek en klinkt
Elke stroate ken ik, elke bocht

Ik sla rechtsaf, tussen de maïsvelden door richting het heideveldje waar we altijd hutten bouwden. Het veldje is inmiddels een bosje geworden. Nog een paar trappen, dan ben ik het maïs voorbij en kan ik de toren zien. De toren van Sleen. Vroeger het ijkpunt dat we thuis waren. Daar is ‘ie.

Ik kom niet vaak meer in Sleen. Toch voelt het als thuiskomen.

Hier kom ik weg, veur mien hele leben ben ‘k met dizze horizon verweben
Hier kom ik weg, hier stiet ons huus en bliekbar kom ik doar altied weer trecht

Nog een klein stukje wind tegen. Ik voel een traan over mijn wang lopen. Heb ik vaker bij wind in m’n gezicht.

Hier kom ik weg.

(Oh wat leuk, toen ik bij mijn ouders de tv aanzette, dat juist Karsten Kroon vandaag in de kopgroep zat!)

Jarretelles naturelles

Wielrennen is nogal jammer voor het bruiningsproces van je benen, vind ik. Vriend J. ziet dat heel anders: “Oh lala, jarretelles naturelles!”

Tandjes

Beste heren fietsers,

U mag natuurlijk best in mijn wiel komen hangen als ik duurtrain. Maar geef alstublieft even een seintje dat u d’r bent.

Ik schrik me namelijk iedere keer weer de tandjes als ik even omkijk en d’r plotseling iemand in m’n nek zit.

Ook in geval van hard en vals zingen op de fiets is het fijn om te weten of men al dan niet alleen is.

Dank. Marijn 

Gesprek met mezelf

Setting: na drie weken zonder koers rij ik weer een criterium, in de plaats met de onheilspellende naam Monster.

- Lekker, we gaan weer knallen! Eindelijk!
Dat zeg je nu wel, maar ik heb helemaal geen wedstrijdritme. En die andere meiden wel.
- Maar je hebt toch goed getraind de afgelopen weken?
Ik heb m’n best gedaan, maar je weet zelf ook dat de laatste intensieve trainingen tijdens de vakantie ruk gingen. Ik kreeg m’n hartslag niet omhoog en bij het minste of geringste begonnen m’n longen te piepen.
- Ja ammehoela, ben je soms vergeten dat het 37 graden was in Frankrijk? Vind je het gek dat het dan niet lukt?
Nee. Maar het ging echt héél slecht. Ik kan toch goed tegen de warmte? Waarom lukken die trainingen dan niet? En weer terug in Nederland, op de Lemelerberg, bakte ik er toch ook niks van? Volgens mij ben ik gewoon niet in vorm.
- Dan is dit criterium een goede plek om dat eens te testen. Bovendien: je hoeft toch niet meteen te winnen?
Natuurlijk niet. Maar je zult zien dat ik na drie rondjes al gelost word. Let maar op. Dat wil ik echt niet!
- Dat gaat niet gebeuren. Dat weet je zelf ook.
Maar m’n eerste aanzet! Na de bocht! Die ben ik helemaal kwijt.
- En nu hou je je smoel en ga je fietsen. Zeikwijf.

De eerste rondjes waren nog wat onwennig, met iets te veel remmen in de bocht en iets te weinig sju in de eerste aanzet na die bocht, maar daarna ging het prima.

Van mijn sprint moet ik het niet hebben. Dus besloot ik me helemaal suf te demarreren. Even leek het erop dat mijn laatste ontsnapping stand zou houden, maar in de voorlaatste ronde werden we teruggepakt.

Restte mij niets anders dan tempo te maken voor ploeggenoot C., die wél een venijnige sprint heeft. Met beide handen in de lucht bolde ze over de finish. Ik juichte met een gebalde vuist mee. Yeah!

- En kijk eens naar je hartslagmeter?
Moeiteloos naar de max, ja. Onvergelijkbaar met de trainingen van afgelopen week.
- Zo fit als een hoentje dus. Wat maak je je soms toch druk om niks. Zeikwijf.

In de berm

Je zou bijna denken dat de Tour hier vandaag langs komt. Zo zitten ze erbij langs de kant van de weg, het echtpaar op leeftijd.

Nissan Micra in de berm, rode koelbox tussen hen in, gezicht naar de straat. Hij met de benen een beetje wijd, zij met de knieën keurig tegen elkaar. Allebei op een klapstoel. Niet zo’n duur kunststof exemplaar uit de luxe Hartman-collectie, maar gewoon een eenvoudige uitklapper van aluminiumbuizen met een stuk stof ertussen.

Ze hebben de allerdikste boom in het meest schaduwrijke stuk bos op de Veluwe uitgezocht. Daar is het ‘t koelst. In hun aanleunwoning met het platte dak is het nu vast om te stikken van de hitte, fantaseer ik. Zelfs het grote rode zonnescherm dat hij vanochtend naar beneden heeft gezwengeld houdt geen spatje warmte meer tegen. Zullen we naar het bos…? stelde hij daarom voor. Zij knikte verheugd en laadde de rode koelbox vol met lekkere dingen.

Op het moment dat ik aan kom fietsen, pakt hij net haar hand vast. Zij kijkt hem aan, knijpt haar ogen tot spleetjes. Fijn hè, hier, lijkt ze te zeggen. Op mijn iPod begint Esther Groeneberg net mijn favoriete fietsliedje te zingen. Op een dag als vandaag is het leven mooi - het kan niet toepasselijker.

Het echtpaar knikt me toe. Ik lach terug, peddel voorbij en kijk nog een keer om. Hij heeft nog steeds haar hand vast en knijpt er even liefdevol in.

Zo samen oud te worden. Mooi.

(Geen zorgen beste wielerliefhebber, vanaf morgen is het weer koers. Dan is het dus uit met dit gezwets.)

Hongerklop

Ik kwam de Veluwse bossen uit gefietst, sloeg af richting Vaassen en daar stond ie ineens. De man met de hamer. Hij gaf me een geweldige dreun.

Hongerklop.

Wat een beginnersfout. Gelukkig overkomt het de beste. Dat dacht ik pas achteraf hoor, niet toen ik die hengst kreeg. Ik vervloekte mezelf. Op twee stukken kruidkoek een duurtraining doen, dat kan toch ook niet, sukkel. ‘t Was dan wel volkoren kruidkoek, maar toch.

Oké, er was niet meer fietsvoedsel dan dat in huis. En soms red ik het wel met twee reepjes. Maar je moet altijd meer meenemen dan je denkt je eten. ALTIJD. En anders moet je geld meenemen. Dat had ik ook niet bij me. Kluns.

De kracht vloeide uit mijn benen. Mijn blik werd wazig. Mijn maag speelde koprol in mijn buik. Ik zwalkte verder. Mijn tempo was zo laag dat ik bijna omviel. Dat wilde ik eigenlijk ook het liefst. Omvallen. Lekker in het gras liggen. En daar blijven.

Maar. Het was nog zeker dertig kilometer naar Zwolle. Ik zou alleen maar meer honger krijgen. Dus ik moest verder. En snel ook, want ik wilde de finale van de Tour-etappe niet missen. Schleck en Contador in de Pyreneeën, immers!

Shit. Wat voelde ik me slecht. Ik kreeg m’n benen bijna niet rond. Ik kon alleen nog maar aan eten denken. Eten. ETEN! Ik moest echt wat eten.

Op de IJsseldijk was mijn water ook nog op. Als ik ‘t goed had, stond hier ergens een café. Daar kon ik mijn bidons vullen. Want na een hongerklop wil je niet ook nog een dorstklop.

Waar bleef dat café nou? Ik zag alleen maar boerderijen. Daar stond een tafeltje aan de weg, met potjes honing erop. Honing! Bijna kneep ik in mijn remmen om een potje te grijpen. Maar zonder water een potje honing wegklokken? Zo ver was ik nog niet heen.

Honderd meter verder wel. Omdraaien en toch die honing…? Nee. In dat café zou ik wat eten vragen. Appeltaart! Of een gratis banaan. Al kreeg ik alleen maar een oude broodkorst. De schimmel krabde ik er zelf wel af. Ik kon natuurlijk ook stiekem wat suikerklontjes jatten.

In de verte zag ik terrasstoelen staan. Eindelijk! Ik sleurde mijn voeten uit de pedalen. Strompelde naar binnen. “Water”, kon ik nog net uitbrengen. Ik zeeg neer op een kruk, mijn bidons kletterden op de bar. De ober lachte. “Wil je er ijsklontjes in?”

Aan het andere eind van de bar zag ik een grote schaal staan. Vol met pepermuntkussentjes. Pepermuntkussentjes! Dat leek me ineens het allerlekkerste voedsel van de hele wereld. Stralend zette de barman twee gevulde bidons voor me neer: “Fijne tocht nog hè?”

Via het pepermuntkussentjeseinde van de bar liep in naar de uitgang. Maar meer dan één kussentje pakken, daar had ik onder toeziend oog van de barman het lef niet voor. Terwijl ik het liefst twee handen vol uit de schaal had gegraaid.

Terug op de fiets dansten er alleen nog maar etenswaren voor mijn ogen. En ook dingen die niet eetbaar zijn. Bijna stapte ik weer af om de berm leeg te grazen. Maar toen dwong ik mijn knop om en focuste ik me op twee woorden: Naar huis. Naar huis. Naar huis.

Uitgeput sleepte ik mezelf drie kwartier later over de drempel. Ik keek naar links, naar de tv in de hoek van de kamer. Kut. Contador. In de gele trui.

Wiesdadan?

Zo gauw wij op de Col de Cabre het busje van de Vlaamse televisie uitstappen, wordt Ludo natuurlijk van alle kanten herkend.

“Ludo, het is d’n Ludo!”, roepen de vele Nederlanders en Vlamingen die in het gras langs de kant wachten tot de Tour langs komt. Ze willen even met Ludo praten. Ze vragen zijn handtekening. En ze willen met hem op de foto.

Logisch. Ludo is een Tourheld.

De wielerfans zien wel dat de camera niet alleen op Ludo, maar ook op mij gericht is. Ze werpen steelse blikken. Of gapen me gewoon met open mond aan. Achter hun hand zie ik ze tegen elkaar smiespelen.

“Wiesdadan?”

Logisch. Ik ben gewoon maar een wielrenster. Die komen maar zelden op tv. Alleen als ze indrukwekkende uitslagen rijden. Maar dat heb ik nog nooit gedaan. Tenminste, niet echt.

U hoeft me niet te kennen hoor, wil ik tegen al die mensen met een groot vraagteken op hun voorhoofd zeggen. Maar ze vragen me niks. Dus zeg ik ook maar niks.

Tot een vrouw de stoute schoenen aantrekt. Een Vlaamse. Ze spreekt me aan. “Ludo kennen we natuurlijk allemaal”, zegt ze. “Maar… welke bekende Nederlandse bent u dan? Wij kennen niet veel bekende Nederlanders in België, ziet u,” verontschuldigt ze zich.

Ik moet lachen. “Ik ben helemaal geen bekende Nederlandse”, zeg ik. “Ah”, zegt de vrouw. “Dat verklaart waarom de Nederlanders die hier even verderop staan, óók niet wisten wie u was.” Ze kijkt er een beetje teleurgesteld bij. Weer een mooi verhaal voor thuis minder.

Stiekem grinnikend wandel ik verder. Tsja. Een camera in je kielzog betekent niet automatisch dat je een bekende tv-ster bent. Of wordt. Laat mij maar fietsen.

Heimwee naar de Tour

Raar. Raar om weer thuis te zijn.

Ik had nog wel de hele week (wat zeg ik? De hele Tour!) willen blijven in de Tour, zo geweldig vond ik het. De sfeer, de spanning, de koers; ‘t is precies zoals ze zeggen: je wordt er helemaal in meegezogen.

En dat ik daarna ook nog een uur lang op de Vlaamse televisie over wielrennen mocht praten, met Touretappewinnaar Ludo Dierckxsens en de zeer geïnteresseerde gastheer Karl Vannieuwkerke, was te gek.

En surreëel. Dat je steeds denkt: hè? Ik hier? Ik?!

Jammer genoeg heb ik nog geen Vlaamse variant van Uitzending gemist kunnen vinden. Dus heeft u Vive le Vélo donderdagavond gemist, lieve wielerliefhebber, dan heeft u een beetje pech vrees ik. Slechts het filmpje dat overdag gemaakt is, onze wedstrijd Nederland – België, is online terug te zien.

Daar zult u het dus mee moeten doen: wielrenster Marijn de Vries daagt Ludo Dierckxsens uit.