Tsjonge. Wat had ik een slechte benen gisteren.
(‘Slechte benen’, zo heet dat als je niet vooruit te branden bent tijdens een wedstrijd, beste niet-wielerkenner. Als je de hele koers continu zo’n beetje achterstevoren op je fiets zit, je slechte benen met je meeslepend als een blok aan je… eh ja, been.)
Het was mijn laatste grote wedstrijd van het seizoen. Ik mocht tot mijn verrassing voor het eerst in mijn wielercarrière starten met nummer 1.
(Nummer 1 in een grote wedstrijd is meestal voorbehouden aan de titelverdedigster. Dat was ik niet, sterker, ik had de Omloop door Middag Humsterland zelfs nog nooit gereden. Met nummer 1 op je rug en op het plaatje onder je zadel, lijkt het net alsof je een heel goede wielrenster bent.)
De moraal was er dus. Zelfs om goed te rijden op een terrein waar ik me meestal niet zo prettig voel.
(Kale vlakte, smalle weggetjes, veel wind, nerveus duwen en trekken en draaien en keren.)
Het startschot klonk. Ik voelde het meteen, dat van die slechte benen. Ze schoten al na vijfhonderd meter vol zuur. Ik schrok ervan, knipperde twee keer met m’n ogen en zat voor ik het wist zo’n beetje achteraan in het peloton.
(Daar moet je niet willen zitten, beste niet-wielerkenners. Nooit. En al helemaal niet in windkoersen zoals deze. Bij zijwind gaat het peloton namelijk ‘op een lint’: helemaal vooraan rijdt een klein kluitje, zoveel mogelijk in elkaars windschaduw. Daarachter komt één lange sliert van rensters, zoveel mogelijk op het randje van de weg, zo goed mogelijk in elkaars spoor. Er zijn altijd rensters die het tempo niet aankunnen en een gat laten vallen. Daar moet je dus omheen, en je moet dat gat dichten. Drie, vier, vijf, dertig keer. Als je de ver achterin het peloton zit. Zoals ik.)
Ik was Sjaak Aanhaak. Het melkzuur kwam m’n oren uit. Als er nog een gat viel, zou ik echt niet meer kunnen aanhaken, dacht ik continu. Ik keek kennelijk zo grimmig dat men mij steeds maar weer vroeg of het wel ging. Nee, gromde ik dan terug. Scheel hing ik in het laatste wieltje.
We gingen de laatste ronde van drieëntwintig kilometer in. Er was een kopgroep van tien, met daarbij ploeggenoot C. en ploeggenoot M. Voor ons Leontientjes in het peloton zou het nogal uitmaken op welke plek we finishten: we konden als ploeg namelijk nog de Nederlandse topcompetitie winnen.
Het peloton viel stil. Iedereen spaarde zich voor de eindsprint. Ik wist: die sprint dalijk, dat is niks voor mij. Als ik goed wil finishen, moet ik proberen weg te rijden uit het peloton. Ik wist ook: als ik dat zou doen, werd het de dood of de gladiolen.
Waarschijnlijk de dood. Gezien mijn slechte benen.
Ik zat eindelijk goed, op rij twee. De renster voor me reed op het randje van de weg. Ik kon er dus niet langs. Over haar schouder tuurde ik naar een uithammetje, zodat ik er even snel langs zou kunnen glippen. Er kwam geen uitham. Maar wel een brug. Daar zou ik gaan.
We reden het bruggetje op, de weg werd wat breder. De renster voor me hield haar lijn. Er was ruimte links van haar. Nu.
Ik ging staan, zette aan en schakelde. Nog een keer. En nog een keer. Ik keek om.
(Niet omkijken! Schreeuw ik altijd naar de tv als er een renner uit het peloton ontsnapt is. Omkijken is een teken van zwakte. Een teken dat je niet in je ontsnapping gelooft. Toch keek ik om.)
Ik had een gat. Ik keek nog een keer. Het peloton was een lint: daar werd tempo gemaakt om mij terug te halen. Rechts van de weg stond een bordje. 5 kilometer stond erop. Ik kreunde inwendig. Nog vijf kilometer! Mijn benen brandden.
Daar zag ik ineens een renster voor me. Ze was uit de kopgroep gewaaid. Ik versnelde en reed haar voorbij. 3 kilometer. Ik kon het niet laten en keek nog een keer om. Het gat bleef een gat.
Daar de brug, daar het bordje 1 kilometer. Daar de finish. Gladiolen!
(Ik finishte als negende. We wonnen het ploegenklassement van de topcompetitie. Individueel werd ik nog zestiende in diezelfde competitie, ontdekte ik vanochtend. Not bad. Not bad at all.)
Vandaag ben ik brak. Ik voel me alsof ik een hele nacht gefeest heb, op hoge hakken, met veel sigaretten en alcohol. U weet wel: pijnlijke benen, droge mond, watten in het hoofd. Maar ik heb niet gedanst en geen druppel gedronken. Ik ben brak van het afzien.
Koersbrak.
Foto: Ottie.nl