Ik haat mountainbiken

Hondsrug Classic 3Komend seizoen rij ik voor een nieuwe ploeg, Parkhotel Valkenburg, en wat gingen we doen in het eerste gezamenlijke trainingsweekend? Mountainbiken. Drie dagen lang mountainbiken, in Zuid-Limburg.

Nu ben ik geen fan van mountainbiken. Zacht gezegd. Ik hou niet van vies worden, of althans: het vies worden vind ik niet zo erg, maar al die blubber in mijn huis en in mijn wasmachine, daar heb ik een pesthekel aan. En het poetsen van een fiets die eruit ziet alsof hij honderd jaar in een moeras heeft gelegen haat ik.

Ook als het droog is, ga ik niet graag het bos in. Want in het bos lopen honden los. Hier in Nederland, tenminste. Ik ben bang voor honden. Op een racefiets kan ik een eventuele hond er nog wel uitsprinten, maar op een mountainbike is dat een stuk lastiger. Als ik de eigenaar vriendelijk uitleg dat ik een beetje bang en vraag of hij/zij de hond even wil vasthouden tot ik voorbij ben, is het antwoord vaak ‘nee’, want ‘hij doet niks hoor’ of ‘hij mag hier loslopen dus zeik niet’. Tot zover de beleefdheid van de Nederlandse hondenbezitter.

Toch moet je ook dingen die je niet graag doet op z’n minst een tweede kans geven. Of een derde. Toch? Dus toen ik drie jaar geleden voor het eerst in de wintermaanden in Girona neerstreek en daar bleek dat Dave, de eigenaar van fietsenwinkel Bike Breaks alsmede de sociale spil van fietsend Catalonië, een fervent mountainbiker is die iedereen maar wat graag wil inwijden, besloot ik het nog eens te proberen. De heuvels rond Girona vormen tenslotte een heel andere omgeving van de Veluwse bossen.

Dave vertelde dat hij een ‘downhiller’ is. Toentertijd waren op internet nog niet overal filmpjes te zien van mountainbikers die zich met doodsverachting van bergen afstorten of dwars door de favella’s van Rio de Janeiro richting de Copacabana razen. Daarbij was ik ook een beetje naïef. Bij downhillen dacht ik aan ‘naar beneden fietsen’ – wat het feitelijk ook is. Maar dan ‘naar beneden fietsen’ voor mensen die levensmoe zijn, wat ik me toen niet realiseerde.

Hoe dan ook. Dave nam me mee voor een ‘granny downhill’ – een downhill die zelfs zijn grootmoedertje op haar scootmobiel zou kunnen doen. Echt een heel makkelijke. Zei hij. We reden de stad uit en belandden op een brede gravelweg. Nogal saai, vond ik. Ik waagde het zelfs te vragen wanneer het wat interessanter zou worden.

Bovenop de heuvel hield het gravelpad op. We stonden aan de rand van een klif. Voor ik er erg in had, verdween Dave in de diepte. Ik hoorde hem boven het knappen en breken van takken nog net ‘follow me!’ roepen. Ik boog me over de rand, maar zag een pad noch een spoor van Dave. Moest ik hier naar beneden? Lang verhaal kort: ik ben beneden gekomen, me vastklampend aan boomtakken en uitstekende rotsen. Niet op twee wielen, maar op twee benen. Met de mountainbike – zo’n grote zware, want die zijn fijner bij het downhillen, zei Dave – op mijn nek.

Na dit avontuur was ik voorgoed genezen. De mountainbike die ik heb, stond sindsdien stof te vangen in de schuur. Tot het eerste weekend met mijn nieuwe ploeg, dus. Met toenemende huivering bekeek ik de weersvoorspellingen: wind en regen. Regen en nog eens regen. In Zuid-Limburg waren ook loslopende honden, wist ik. En technische afdalingen door glibberige klei. O horror.

Ik zag mezelf al op honderden meters achterstand achter mijn nieuwe ploeggenoten aan ploeteren en meteen de flater van het jaar slaan. Maar natuurlijk viel het mee. Hoewel het pijpenstelen regende en het bos één grote modderpoel was, crosste ik lachend door de plassen. Zo gauw het naar beneden ging, kon ik mijn ploeggenoten gewoon bijhouden. En de honden die we tegenkwamen, waagden het niet in onze buurt te komen.

Ik zou graag vertellen dat ik de liefde voor mountainbiken hervonden heb. Maar helaas. Want terwijl mijn mountainbike met 26 inch wielen stond te verstoffen in de schuur, hadden al die meiden een 29-er gekocht. Ik liep dus niet alleen hopeloos achter, ik moest uiteindelijk toch behoorlijk veel moeite doen om er niet meters achteraan te fietsen. Met die kleine wieltjes moest ik veel harder trappen dan de rest. Dus ja hoor. Ik had het weer voor elkaar: tóch de schlemiel van het weekend.

Verschenen in cycling.be, januari 2015
Foto: Meijco van Velzen, 2010

—————————————————–

Gelukkig staat het seizoen op het punt van beginnen en mag die ***mountainbike de schuur weer in. Zaterdag rij ik de Omloop het Nieuwsblad. Spannend! Vanavond mocht ik daar even kort over kletsen op TV Oost. Kijk dat hier terug, vanaf 34’20”

Tags: ,

Brandschone fiets

10422502_841302225915362_7870565458214287401_nWat zou ik graag eens bij de Ster van Zwolle zijn. Maar de Omloop het Nieuwsblad valt altijd op dezelfde datum – en daarmee begint mijn wielerseizoen traditiegetrouw. Dus ik kan nooit bij de Ster kijken. Ik wil u van harte aanbevelen dat volgend weekend wel te doen – want de start van een wielerkoers, en zeker de eerste van het seizoen, is altijd een spektakel.

Nerveuze renners in de binnenstad van Zwolle, de geur van tijgerbalsem en het gekletter van carbon over de keitjes van de Grote Markt – dat zie, ruik en hoor je niet vaak.

Zaterdag gaat ook voor het eerst de nieuwe Nederlandse talentenploeg SEG Racing van start, met mijn goede Britse vriend Neil Martin als ploegleider. Ik deel al drie jaar lang een groot deel van mijn seizoensvoorbereiding met hem, in het Spaanse Girona, waar hij het hele jaar woont en ik alleen in de winter.

Hij fietst iedere dag en is bijzonder aangenaam gezelschap – behalve als het op één aspect aankomt: hij houdt niet van vieze fietsen. De zijne is altijd brandschoon, hij poetst overduidelijk iedere dag. Hij heeft er op vrij onsubtiele wijze voor gezorgd dat ook ik absoluut nooit met een vieze fiets bij hem durf aan te komen.

Die ene keer dat ik niet gepoetst had en waagde te zeggen ‘ach, wat voor zin heeft dat nou, hij wordt vandaag toch weer vies’ antwoordde hij direct: “Als je naar de wc gaat denk je toch ook niet: ach, wat voor zin heeft afvegen nou, morgen wordt het toch weer vies?” Zoals u begrijpt stond ik met mijn mond vol tanden en vanaf die dag poetste ik mijn fiets trouwer dan ooit.

Dus mocht u overwegen op de fiets naar de start van de Ster te komen en belandt u bij de teamwagens van SEG Racing, kijk dan niet vreemd op als een kleine man met een vrolijk hoofd een bedenkelijke blik op uw frame werpt. Is ‘ie schoon? Niks aan het handje. Is de fiets vies? Dan weet u nu precies wat er door zijn hoofd gaat.

Verschenen in De Stentor, 21 februari 2015

Tags:

Als Kirsten over de meet gaat, lig ik stil te huilen

10354605_838132816232303_5260331912899243595_nDit is een van de leukste columns die ik ooit mag schrijven. Want ik ben zo gloeiend trots, op Kirsten, die dit weekend wereldkampioen werd. Wereldkampioen! Mijn trainingsmaat, ex-ploeggenoot en vooral vriendin is wereldkampioen.

Ik heb de wedstrijd niet eens live gezien. Op het moment dat Kirsten Wild aan de start van de scratch op de wielerbaan in Saint-Quentin-en-Yvelines staat, sta ik op een podium in een hotel in Zuid-Limburg. Mijn ploeg, Parkhotel Valkenburg, wordt aan de pers gepresenteerd.

Pas na afloop lees ik het bericht op mijn telefoon. Ik krijg kippenvel en een brok in mijn keel. Even later in bed kijk ik de koers terug. Ik weet al wat er gaat gebeuren: drie rondes voor het eind gaat Kirsten op kop van het peloton rijden, om vervolgens de sprint zelf aan te gaan én te winnen.

De oordopjes vullen mijn oren met gejuich. Wielrensters vliegen de baan rond. Daar komt Kirsten in eerste positie, de vrouw in het oranje.

De vrouw die een jaar geleden nog in mijn huiskamer op de grond zat, met een schroevendraaier in de ene en een gebruiksaanwijzing in de andere hand. Ze zette mijn nieuwe Ikea-tafel in elkaar. Ik keek dankbaar toe, met een gebroken sleutelbeen, opgelopen in een onfortuinlijke wielerkoers.

Nog drie rondes te gaan, staat in beeld, en ze gaat al zo hard. Dat kan ze nooit volhouden, met dat hele peloton in haar wiel.

Ze kan veel volhouden. Halverwege een koers vallen, haar schouder breken en de wedstrijd gewoon uitrijden, bijvoorbeeld. En daarna niet naar de dokter gaan, maar…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 23 februari 2015

Tags:

Voor geld blijkt zelfs Usain Bolt te koop

Usain_Bolt,_Anniversary_Games,_London_2013Bah, wat is Usain Bolt van zijn voetstuk gevallen, zeg. Hij gaat in 2017 met pensioen, kondigde hij dit weekend aan. Liever zou hij in 2016 al stoppen, na de Spelen in Rio, gaf hij toe. Maar zijn sponsor Puma heeft hem gevraagd er nog een seizoen aan vast te plakken. Lees: heeft hem een enorme zak geld geboden om een jaar langer uithangbord te zijn. Voor geld is alles te koop, dus Bolt frommelt nog een paar maanden aan zijn carrière vast, om op het WK van 2017 in Londen enkel nog de honderd meter te lopen. Meer afstanden loopt hij niet. Geen tweehonderd meter en geen estafette. Daar is de focus – lees: de zak geld – niet groot genoeg voor.

Usain Bolt is een van mijn grootste sporthelden. Vanwege zijn fenomenale prestaties, maar ook omdat het verhaal zo mooi is, van het jongetje geboren op het platteland van Jamaica dat elke dag samen met zijn broertje Sadiki cricket en voetbal op straat speelde, voor de buurtsuper van hun ouders. School kon hem niks schelen. Lekker rennen en ravotten des te meer. Hij dacht aan niets anders dan aan sport.

Op de basisschool begon hij al een beetje met atletiek en al snel bleek dat hij barstte van het talent: als twaalfjarige was Usain de snelste sprinter op de honderd meter van zijn hele school. Toch speelde hij nog steeds het liefst cricket.

Zijn cricketcoach op de middelbare school zag hoe razendsnel Usain was en hij dwong hem met milde hand richting de atletiekbaan. Daar begon het balletje te rollen. Gecoacht door voormalige Olympische sprinters ontwikkelde Usain zich tot de topsprinter die hij nu is. Op 15-jarige leeftijd liep hij de tweehonderd meter al in 22 seconden en 4 honderdsten, niet eens drie seconden langzamer dan het wereldrecord van 19’19” dat hij in 2009 in Berlijn neerzette.

Wereldberoemd werd hij, de relaxte showman met de imaginaire pijl en boog. Een genot om naar te kijken, in alle opzichten. Met open…

LEES HIER VERDER (blendle)

Verschenen in Trouw, 16 februari 2015
Foto: wikimedia commons

Tags:

Lijf tegen hoofd, pijn tegen wilskracht

BeNe Tour TT 2 kopieAls hij een uur lang rechtdoor gefietst had, dan was hij gisteren van Utrecht naar Rotterdam gereden. Of van Nijmegen naar Apeldoorn. Maar Rohan Dennis reed rondjes. In een wielerstadion. Lekker overdekt, zonder tegenwind, regen of kou en met een ondergrond zo glad als een spiegeltje. Ideale omstandigheden als je zoveel mogelijk kilometers in een uur wilt fietsen.

Na exact zestig minuten stond er 52 kilometer en 491 meter op de klok. Dat is 639 meter verder dan de Oostenrijker Matthias Brändle in oktober fietste, en daarmee is de Australiër de nieuwe werelduurrecordhouder.

Eigenlijk best sneu voor Brändle; heb je eindelijk iets legendarisch als het werelduurrecord in handen, ben je het na drie maanden alweer kwijt. Ik zou ervan balen.

Maar goed. De regels zijn onlangs veranderd, je mag het record sinds kort op een tijdritfiets aanvallen in plaats van een gewone racefiets. Dan weet elke snuggere wielrenner die nu een poging doet dat er meer snelle mannen in de rij staan. En dus sneuvelde het werelduurrecord de afgelopen vier maanden al drie keer. Steeds met een paar honderd meter.

Helemaal te doen had ik met Jack Bobridge, die zich vorige week het zuur uit de oren reed. Toen de klok na een uur stopte, had hij een half kilometertje te weinig gefietst. Helemaal voor niets had hij zestig minuten lang de duivel in zijn grijnzende smoelwerk gekeken. Want reken maar dat een uur lang tijdrijden pijn doet.

Om u een idee te geven: ga maar eens op het puntje van een stoel zitten. Buig zo ver voorover dat de borst de knieën bijna raakt. Laat het hoofd helemaal tussen de schouders zakken, maar blijf vooruitkijken. Houd uw armen in een hoek van negentig graden onder uw romp, ellebogen en knieën raken elkaar net niet.

Vervelende houding hè? Stelt u zich dan nu voor dat u…

LEES HIER VERDER (gratis)

Verschenen in Trouw, 9 februari 2015

Tags: