Pokeren

Geen zorgen lieve mensen, ik leef nog. De verplaatsingen zijn alleen zo lang dat het na het diner, de nabespreking en de massage doorgaans behoorlijk bedtijd is.

Na de natte etappe in Pescocostanzo is het weer behoorlijk opgeklaard. Wat heet: het is heet. Zondag, tijdens de derde etappe, had ik een heel slechte dag. Ik had die nacht beroerd geslapen en toen ik opstond, prijkte er een koortslip op mijn gezicht. Al vanaf de start ging het keihard. Het was een etappe vol korte, steile klimmetjes met als hoogtepunt (ahem) een klim die de Muur van Huy met gemak overtrof. Nog nooit zoiets steils gezien in een wedstrijd. Tot halfkoers kon ik nog met hangen en wurgen aanklampen, aan het elastiek. Daarna was het over en sluiten en ben ik in een busje naar de finish gereden.

Maandag voelde ik me een stuk beter. We reden een hyperkorte sprintetappe van 69 kilometer, met als tropische verrassing een berg aan het begin met steigingspercentages tot 14% – daar waar het routeboek van een heuveltje sprak. Heerlijk. Maar niet heus.

En dan de etappe van vandaag, Altedo – Verona, met finish in de oude stad:

Ik ben boos op mezelf. Hoe langer ik erover nadenk, hoe bozer ik word.

Het was een rare etappe ja, op een paar viaducten na zo vlak als een biljartlaken. De hele 126 kilometer lang (ehm, 140 kilometer: alweer zo’n fijne Italiaanse verrassing – met 115 kilometer op de teller verscheen ineens het bord van de 25 kilometer langs de kant van de weg) werd er aan één stuk door gedemarreerd. Wij deden daar lustig aan mee. Maar niemand kwam weg.

Na het bord van de 25 kilometer viel het stil. Kennelijk moest iedereen wennen aan het idee dat we een stukje verder moesten dan verwacht. Maar al gauw begonnen de schermutselingen weer en ook ik meldde me opnieuw vooraan het front.

Bij het bord van de 15 kilometer sloeg een groepje ineens een klein gaatje. Ik zat in dat groepje. Ik keek achterom. En meteen keek ik nog een keer, stomverbaasd: het peloton reed breed over de weg. Stilgevallen.

Lieten ze ons nou echt gaan? Met nog maar zo’n klein stukje voor de boeg? Nee toch? Mijn stuk of twaalf medevluchters konden het kennelijk ook niet geloven, want niemand wilde echt rijden om het gat groter te maken. Er werd alleen maar naar elkaar gekeken.

Ja, als het zo moest, ging ik natuurlijk ook niet als een gek op kop rijden – temeer daar ik vermoedelijk zo’n beetje de slechtste sprint van het hele groepje had. Ik kon mijn energie dus beter sparen, áls we al wegbleven. Ik nam een paar keer lafjes over en bleef verder zoveel mogelijk in het wiel.

Nog 5 kilometer te gaan met een voorsprong van 30 seconden. Er werd nog steeds gelamzakt bij het leven. Het hele gebeuren zinde mijn medevluchter Nicole Cooke maar niks. Ze spoorde ons aan te draaien, te rijden. Wílden we dan niet wegblijven, of zo? Ja, hoe zit dat eigenlijk, dacht ook ik. Want ík wilde wel wegblijven hoor. Maar ik zou een beetje moeten pokeren, anders zou ik teveel energie verspelen en te weinig over hebben voor een eindschot. Zo redeneerde ik.

Op het moment dat ik op kop van het groepje kwam, bij het bord van de 2km, demarreerde Cooke. Fuck. Als ik nu reageerde, zou ik de hele groep in m’n wiel meetrekken. Konden ze lekker profiteren van mijn werk. Dus ik deed niks. Wachtte op een reactie van iemand anders, om aan dat wiel mee te gaan. Maar niemand deed wat. Cooke reed gewoon weg. Ik keek achterom. Nog steeds deed niemand wat.

Intussen waren we in de straten van Verona. Wat moest ik nou doen? Cooke zou ik niet meer kunnen inhalen. Of ja, misschien met m’n allerlaatste energie en drie, vier of vijf rensters in m’n wiel die er dan lekker overheen zouden denderen.

Nog 1 kilometer te gaan. Daar ging Sarah Düster. Opnieuw reageerde niemand. Want ai! Die demarreerde hard. Maar ze viel eigenlijk meteen stil. Als ik nog wat wilde, moest ik nu toch echt gaan. Waarom deed nog steeds niemand wat? Ik snapte er niks van.

Twijfel. 500 meter te gaan. Pieuw, pieuw, pieuw: daar schoten de eerste rensters van het peloton langs me. Teruggepakt. Cooke won solo, achter haar ontbrandde de massasprint.

En nu ben ik dus boos op mezelf. Waarom heb ik niks geprobeerd? Waarom raakte ik zo in de war van deze bizar verlopende ontsnapping? Oké, ik dacht echt wel na. Ik gokte. Gokte dat iemand anders zou gaan en dat ik dan mee zou springen. Ik gokte en verloor. Waarom heb ik toch zo fucking weinig ervaring – waardoor ik ging twijfelen en aarzelen? Ik had wat moeten dóen, verdorie! Het ging notabene om een tweede plek in een Giro-etappe, voorwaar geen kattenpis! Hoe kon ik mijn motto ‘dan maar strijdend ten onder’ ineens helemaal vergeten zijn en mezelf verliezen in een potje poker?

Er zit niets anders op dan me er zuchtend bij neer te leggen. Nog vijf etappes te gaan en dít zal ik nooit meer doen, niet op deze manier. Leermoment van jewelste. De dood of de gladiolen, weet je nog?

We reden deze 140 kilometer overigens met een gemiddelde van 43.5. Dus wil degene die meent dat meisjes niet hard kunnen fietsen voortaan z’n mond houden? Dank.

Klik hier voor de uitslag.

Foto: @nynke

Sorry, comments for this entry are closed at this time.