Faire pipi in een potje

benen“Je hebt geluk”, zegt soigneur Freddy tegen me zo gauw ik de finish in het Franse Chauffailles over kom. Ik heb m’n voeten nog niet eens uit de pedalen geklikt. Freddy geeft me een blikje cola. “Je mag naar de dopingcontrole vandaag.” Ik stap af terwijl hij zwaait naar een vrouw even verderop, met een hesje van de UCI aan, waar ‘chaperone’ op staat. Ze komt snel naar ons toe rennen.

Ik moet eigenlijk best nodig, constateer ik en dat zeg ik ook tegen Freddy, die het weer in het Frans aan de chaperone doorgeeft. Nou, dan gaan we meteen maar naar de ruimte waar de controle wordt uitgevoerd in plaats van dat ik me eerst even opfris.

Mijn tweede dopingcontrole ooit. Ik word er een beetje zenuwachtig van. En denk ook meteen: misschien hebben de Fransen me wel horen klagen in de Avondetappe, over het feit dat ik – en voor veel van mijn collega’s geldt hetzelfde – nauwelijks gecontroleerd word. Flauwekul natuurlijk. De winnares wordt in principe altijd gecontroleerd en de rest wordt er eens in de zoveel tijd gewoon uitgepikt. Vandaag is het kennelijk mijn beurt.

Ik weet zelf natuurlijk dat ik binnen de lijntjes kleur, maar de angst heeft me al vaak overvallen: stel je voor dat je gepakt wordt. Op iets waarvan je niet weet dat je het gebruikt hebt. Dat kan. Het is wielrenner Jeff Vermeulen hoogstwaarschijnlijk overkomen. Dat lijkt me echt een nachtmerrie.

Natuurlijk ben je als sporter zelf verantwoordelijk voor wat je tot je neemt en dien je jezelf ervan te verzekeren dat in niets wat je in je mond stopt of op je huid smeert ook maar een nanogram verboden middel zit. Er zijn niet voor niets speciale voedingssupplementen voor topsporters op de markt waarbij je de garantie krijgt dat ze gemaakt zijn toen de machines brandschoon waren, zodat er geen sporen van verboden middelen uit andere supplementen of medicijnen voor ‘gewone mensen’ in kunnen zitten.

Maar sommige dingen kun je gewoon niet weten. Die kip bijvoorbeeld die we eergisteren te eten kregen in die gaarkeuken van dat internaat, die smaakte niet naar kip, maar naar chloor. Hij zag er zo chemisch uit dat ik zeker weet dat ‘ie licht zou geven in het donker. Daar zou zomaar iets in kunnen zitten dat niet toegestaan is. Ze spuiten vlees tegenwoordig immers vol met allerlei troep waarvan je geen weet hebt. En dan zit je. Met je goede gedrag.

In die echinaforce die ik deze week nam kan toch niks verkeerds gezeten hebben? En die pijnstiller, toen ik hoofdpijn had? Ik weet ook wel dat dat allemaal niet op de dopinglijst staat, maar ineens twijfel ik aan alles. Je weet maar nooit. Zo word ik nog wat zenuwachtiger, terwijl ik met Freddy en de chaperone naar een lokaaltje vlakbij de finish loop. Daar word ik begroet door een arts en zijn assistente. “Was je handen maar even”, zegt de assistente. De dokter verdwijnt. Ik doe mijn koershandschoentjes uit en was het zweet en de plakkerige restanten van de gels die ik tijdens de koers gegeten heb van mijn handen. Op een tafel liggen in plastic verpakte maatbekertjes. “Kies er maar eentje uit”, wijst de assistente. Ik pak een maatbeker en scheur op haar aanwijzing het plastic open.

Dan gaat ze me voor naar een toilet. Ze houdt de deur open en zegt dat ik minimaal 125 milliliter in het bekertje moet plassen. Terwijl zij me geen seconde uit het oog verliest, trek ik mijn zweterige koersbroek naar beneden en ga op de wc zitten. Ik hou het bekertje tussen mijn benen, blokkeer de gedachte dat er iemand toekijkt en gelukkig komt de plas meteen.

Als ik thuis ben, vind ik het al vervelend als mijn vriend ook in de badkamer staat als ik plas. Natuurlijk is dopingcontrole voor een hoger doel, een doel dat ik belangrijk vind en waar ik graag aan meewerk, maar toch raak ik de gedachte maar niet kwijt dat deze procedure een enorme inbreuk op je privacy is. Vernederend, eigenlijk. Je wordt verplicht iets dat heel intiem is, iets dat je nooit met iemand anders deelt, te doen onder toeziend oog van een vreemde. Zelfs de standaardreactie ‘je hebt er zelf voor gekozen wielrenner te worden, dit is de consequentie dus leef er maar mee’ vind ik diep van binnen geen argument dat die inbreuk goedpraat.

Al snel heb ik 125 milliliter geplast, dus ik trek het bekertje weg, zet het op de grond en plas de rest gewoon in de pot. Ik pak wc-papier, veeg af, hijs mijn koersbroek weer op, pak het bekertje pis, duw het deksel erop en loop voor de assistente het toilet uit. Dan was ik mijn handen nog een keer, want ik heb per ongeluk een beetje over mijn vingers geplast.

Naast de tafel met maatbekers staat een tafel met ingesealde kartonnen doosjes. Daar mag ik er ook eentje van uitzoeken. De assistente raakt niks aan, ik moet het allemaal zelf doen – om later niet te kunnen zeggen dat er iemand aan mijn urinesample heeft gezeten. In de doos zitten twee flesjes, een met een A en een met een B erop. Ik moet ze open draaien en de plas eerlijk over beide flesjes verdelen. Intussen steekt de assistente een stripje in de laatste druppels urine om te checken of het niet te waterig is. Dat blijkt niet het geval.

De urine uit flesje A wordt dalijk in het laboratorium getest op doping. De inhoud van flesje B is voor een eventuele extra controle – de contra-expertise. Ik moet de flesjes dicht doen met speciale doppen die na sluiting niet meer open te maken zijn, checken of de nummers op de flesjes overeenkomen met het nummer op de doos, de flesjes erin stoppen en de boel dicht sealen. Dat pakketje wordt naar het lab opgestuurd. De dokter komt binnen met een bundel papieren. Al mijn gegevens worden gecheckt. Ik moet doorgeven of ik medicijnen gebruik (ja, voor mijn longen), wie mijn sportarts is, wie mijn trainer en wat ik van de controle vond (goed).

Dan mag ik weg. Freddy komt net het lokaaltje binnen lopen. “Nu al klaar?”, zegt hij verbaasd. “Snel gedaan!” Rensters die naar de controle moeten zijn routine voor hem, ik vind het gedoe met de maatbekers en flesjes ook na deze tweede keer nog steeds vrij onwerkelijk. Opgelucht stap ik het lokaaltje uit, het zonlicht in.

Sorry, comments for this entry are closed at this time.