Wielrenster willen worden*

Aangezien ik tegenwoordig wel de nationale vraagbaak lijk voor “vrouwen die op latere leeftijd willen gaan koersen” (wat een cultstatus, mensen, heel vereerd en alles) leek het me een goed idee om eens een handleiding te schrijven. Zo hoef ik jullie mails niet allemaal afzonderlijk te beantwoorden. Ik ben aartslui, namelijk. Vergeef mij.

Dus wat moet je doen als je boven de 20 bent, of zelfs boven de 30, iedereen om je heen zegt dat je zo hard fietst, dat je daar meer mee moet doen, maar je zelf niet weet waar je moet beginnen uit te vinden of je echt wedstrijden wilt/kunt/moet gaan rijden? Ik heb het allemaal ontdekt de afgelopen jaren en deel die kennis natuurlijk graag.

1. Laat je testen bij een sportarts

Als je wilt weten wat er lichamelijk voor jou in zit, dan is het een goed idee om eens een inspanningstest bij een sportarts te doen. In de meeste ziekenhuizen zit een afdeling sportgeneeskunde. Daar kunnen ze meten hoe groot je longinhoud is, hoe hoog je maximale zuurstofopname en hoe hard je maximaal kunt trappen. Dan weet je meteen waar je qua aanleg staat in vergelijking met andere vrouwen uit het peloton. Op de website van de KNWU vind je een lijst vrijgevestigde sportartsen die gespecialiseerd zijn in wielrennen, die kun je ook bezoeken. Zo’n inspanningstest wordt door de meeste (aanvullende) verzekeringen een keer per jaar vergoed.

Een sportarts kan met de waardes die uit je test komen trainingsadvies geven en je eventueel doorverwijzen naar een gespecialiseerde wielertrainer, die schema’s voor jou gaat maken. Op basis van je hartslagzones kun je dan gericht gaan trainen – pas door gerichte training word je echt sterker en beter.

Heb je al eens zo’n test gedaan maar weet je niet hoe de uitkomsten zich verhouden tot de waardes van rensters die op wedstrijdniveau uitkomen? Dan geven deze gegevens een indicatie:

VO2max voor:
‘normale’ vrouwen: >37
vrouwen die toertochten rijden: 45-55
vrouwen die koersen: 60-70.

Maximaal wattage per kilo lichaamsgewicht voor:
‘normale’ vrouwen: >3
vrouwen die toertochten rijden: >4
vrouwen die koersen: 5,5-6.

Er zijn natuurlijk nog veel meer waardes die meetellen, maar dit zijn de belangrijkste. Liggen je VO2max en je wattage per kilo lichaamsgewicht (ver) onder die van vrouwen die koersen, dan is de kans dat je in wedstrijden goed mee kunt komen niet zo groot. Deze waardes zijn voor het grootste deel aangeboren en maar voor een klein deel trainbaar. Heb je dus van nature een niet zo hoge VO2max, dan zal daar ook door training niet heel veel aan veranderen.

2. Ga trainingskoersen rijden

Hard fietsen is één ding, wielrennen is iets heel anders. Daar komt stuurmanskunst bij kijken. Wil je weten of je dat kunt/leuk vindt/nog kunt leren, doe dan eens mee aan een paar trainingswedstrijdjes. Die worden in alle regio’s van Nederland wekelijks, of soms zelfs meerdere keren per week, gereden. Soms op afgesloten circuits (zoals bijvoorbeeld Sloten in Amsterdam, Rielerenk in Deventer of de Nedereindse Berg in Utrecht), soms ook op een afgezet rondje (zoals de zomeravondcompetitie in mijn regio).

In deze wedstrijden rijdt alles door elkaar: mannen, vrouwen, veteranen, eliterenners, amateurs. Je merkt meteen hoe het is om in een peloton te rijden en of je het tempo aankunt. Een leuke en goede testcase; ik rij dit soort wedstrijdjes zelf regelmatig als training. Voor al deze koersjes heb je alleen een basislicentie nodig van 10 euro. Daarmee kan je het hele jaar bij elke vereniging rijden. Je kan ter plekke lid worden, de club meldt je dan met terugwerkende kracht bij de KNWU aan.

Geen idee waar je zulke koersjes bij jou in de buurt kunt vinden? Ga dan eens koffie drinken bij de zaak waar je je fiets gekocht hebt, of een winkel waarvan je weet dat er veel wedstrijdrenners komen. Daar kunnen ze je ongetwijfeld alles vertellen over locaties en data van trainingswedstrijden bij jou in de buurt.

3. Zoek een club met een vrouwenafdeling

Bevallen de trainingswedstrijden en wil je echt tussen de vrouwen gaan koersen? Dan moet je een wedstrijdlicentie aanvragen bij de KNWU. Je kunt je als individuele renster voor criteriums en veel nationale koersen inschrijven. Wil je ook aan grotere wedstrijden meedoen, dan moet je een team hebben – in dat soort wedstrijden starten alleen teams van zes tot acht rensters. Daarom kun je je het beste aansluiten bij een vereniging met een vrouwenafdeling.

Vraag je je af waar je een vereniging met een vrouwenafdeling kunt vinden? Informeer dan eens bij de rensters die je tegenkomt tijdens trainingswedstrijden. Geneer je niet: ze willen je graag helpen. Iedereen is ooit ergens begonnen tenslotte, en nieuwe enthousiastelingen zijn van harte welkom.

Het handige van zo’n vereniging is dat er vaak trainers aan verbonden zijn, dat er veel mensen zijn die je verder wegwijs kunnen maken in de wielerwereld en dat er af en toe gezamenlijke trainingen georganiseerd worden. Zo leer je snel nieuwe mensen kennen en kun je je meten met andere vrouwen. Voor je het weet nemen ze je mee naar een mooie grote koers…

Je kunt ook op deze website kijken, daar vind je veel namen van verenigingen met een vrouwenteam.

4. Val en sta op

Hou rekening met veel trainen, naast je werk of andere bezigheden. Wielrennen doe je niet drie uurtjes per week, daar ben je veel meer tijd aan kwijt. Je zult moeten fietsen in de kou, regen en wind. Ga ervan uit dat je het slachtoffer wordt van een paar fikse valpartijen. Je bent nog niet zo handig en ervaren als de andere meiden, waardoor je jezelf ongewild in benarde posities manoeuvreert, achterin het peloton. Vallen is dan onvermijdelijk, met alle gevolgen van dien.

Ga er vanuit dat je in je eerste trainingswedstrijdjes een paar keer moet lossen uit het peloton. Reken erop dat je je eerste grote koersen niet uitrijdt. Het kost tijd om je te leren handhaven in een peloton. In het begin zul je merken dat je je makkelijk weg laat drukken. Voor het weet hang je aan het laatste wiel. Het is een kwestie van veel doen en oefenen. Doe tijdens trainingskoersen je eigen ding en probeer het stap voor stap aan te pakken: gedubbeld worden is niet erg, als je het in de volgende ronde maar weer oppakt. Als je iedere keer net iets langer in het peloton kunt rijden voor je gelost wordt, dan ga je toch vooruit. Hou vast aan dat soort dingen en laat je niet te snel ontmoedigen. Alle begin is moeilijk! Maar de aanhouder wint.

Het lijkt nu, bijna vier jaar later, misschien alsof het bij mij allemaal vanzelf ging. Maar dat is echt niet zo. Nog steeds niet, trouwens. Ik voel me nog vaak een onhandige beginneling. Wil je weten hoe mijn eerste stappen in de wielerwereld bevielen? Luister dan eens naar de documentaire die ik er destijds over maakte.

Het kan zijn dat ik nog tips&tricks vergeten ben. Of gewoon niet weet. Ik draai zelf ook nog niet zo lang mee, immers. Dus mochten ervaren lezers aanbevelingen voor beginners missen, aarzel dan niet en zet ze in de comments.

* Vrij naar Karl Vannieuwkerkes ‘Renner willen worden’, een must read voor een ieder die plannen heeft te gaan koersen.

Sorry, comments for this entry are closed at this time.