Hallo, hier de fietsmodepolitie

11117931_1607885576089790_7384549627652363619_oNatuurlijk, iedereen zou wel eens willen voelen hoe het is om wereldkampioen te zijn. Tenminste, ik kan me niet voorstellen dat er mensen zijn die daar nooit stiekem van dromen: met de armen in de lucht over de finish komen in de belangrijkste wedstrijd die er bestaat. De prachtig witte trui met de regenboog aangetrokken krijgen. Een gouden medaille om de hals. Het volkslied horen. En daarna iedere dag, elke minuut die je fietst in die trui mogen doorbrengen. Vooral dat. Ik ontken het niet: ook ik zou niets liever willen dan weten hoe dat voelt.

Of als dat niet kan, de regenboogtrui, dan de nationale trui maar. Vooruit. Die is ook mooi. Eigenlijk zou ik dat zelfs al genoeg vinden: voelen hoe het is om die te winnen. Ik zou hem ook echt, net als veel renners, aanhouden als ik zou gaan slapen, nadat ik ‘m gewonnen had. Of ik zou hem op z’n minst onder mijn kussen leggen, of over een stoel hangen naast het bed, zodat ik op het moment van wakker worden meteen die schitterende prijs zou zien.

Ik denk dat ik een glimp heb opgevangen van hoe zoiets voelt. Een leiderstrui in een grote ronde won ik namelijk wel eens. Een oranje sprinttrui (Ja, ik strijkijzer. Echt. In een lange ontsnapping van twee was ik de minst slome bij de tussensprints. De dag erop mocht ik in de ploegentijdrit zelfs een oranje snelpak dragen, en voilà, daar fietste een wortel). Of een blauwe trui voor de strijdlust. En ik kan jullie zeggen: het voelt heel speciaal om zo’n kledingstuk te mogen dragen. Al is het maar voor een dag. Dé leiderstrui, een gele of een roze, heb ik nooit aan gehad. Ook dat moet briljant zijn. Maar het bleef bij dromen.

Sommige mensen vinden dromen niet genoeg. Sommige mensen nemen een besluit. Sommige mensen trekken de portemonnee en kopen – je leest het goed: kopen – een nationale trui. Of een regenboogtrui. En gaan daarin fietsen. Er zijn stukken over geschreven en boeken over verschenen (aanrader: ‘Draag nooit een gele trui en andere geboden voor de bloedfanatieke wielertoerist’ van Alex van der Hulst), maar blijkbaar is er nog niet genoeg over gepubliceerd. Dus doe ik dat nog een keer. Nu. Hier.

Want in een regenboogtrui fietsen, mensen, is verboden. En niet zo’n beetje ook. Hetzelfde geldt voor een nationale trui, een gele trui of om het even welke leiderstrui. Ook daar mag je nooit in rijden. Tenzij je hem zelf gewonnen hebt, in een wereldkampioenschap, in een nationaal kampioenschap of in een grote ronde. Alleen dan mag je zo’n trui aan, en alleen voor de periode waarin je hem gewonnen hebt. Ik bedoel: je hebt Michael Kwiatkowski ook niet in de regenboogtrui zien fietsen terwijl Peter Sagan al lang wereldkampioen was. Dus al die toeristen in een dergelijke trui die mij tegenkomen en een intens afkeurende blik op mijn gezicht menen waar te nemen: dat zien jullie goed. En die is inderdaad voor jullie bedoeld.

Ik ga graag nog een stapje verder. Ook de truien waarin ‘gewone’ renners fietsen, de truien van hun team, zijn voor die renners. En niet voor net iets te dikke mannen op net iets te dure fietsen die op zondagochtend denken dat ze Lotto-Jumbootje kunnen spelen en/of voor afgetrainde gasten die menen de waaier van Etixx-Quickstep te moeten imiteren. A: dat kunnen jullie niet. B: jullie rijden op de openbare weg, dus doe normaal. Dat die pakjes te koop zijn, wil niet zeggen dat je ze ook echt moet kopen. Daarbij voeg ik graag een modetip: zwart. Als je net iets te dik bent (en dat ben je al snel in lycra): altijd zwart. Blauw met veel reclame maakt dikker, rood met veel reclame maakt dikker en geel met Lotto-Jumbo op borst en bil maakt helemáál dikker.

Nu moet ik hier wel bij aantekenen dat voor teamtenues de zogenaamde ‘hoe verder weg en kleiner, hoe beter te pruimen’-regel geldt. Koop je een setje van een kleine wielerploeg, bijvoorbeeld van SEG Racing, dan vind ik dat alweer beter te accepteren dan zo’n opzichtig Astana smurfenpak. Vind je een tenue van een vaag ploegje uit Thailand, dan kan dat afhankelijk van het design zelfs een briljant coole keuze zijn.

Dus neem vooral deze column ter hand bij het opschonen van de wielerkledingkast deze winter en vraag je naast de gewone zaken als: is dit nog schoon genoeg en is de stof nog dik genoeg om mijn bilspleet te verbergen ook bij elk item het volgende af: krijgt een prof dit van zijn werkgever? En: kan een prof dit winnen in een grote koers? Is het antwoord op welk van deze vragen dan ook ‘ja’: onmiddellijk wegdoen, dat kledingstuk. Of ergens diep onderin de kast stoppen, als souvenir. Hou je je hieraan, dan beloof ik op mijn beurt dat mijn intens afkeurende blik verandert in een stralende glimlach dit voorjaar.

Verschenen in cycling.be, november 2016
Foto: Roger Vandenbosch

Sorry, comments for this entry are closed at this time.

Tags: